• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar

Löwenhardt Foundation

Over de geschiedenis van vier families

  • Home
  • De stichting
  • Kunst
  • Exposities
  • Verhalenarchief
  • Fotoalbum
  • In druk
  • Contact

Clara de Onverzettelijke

2 juli 2025 by John Löwenhardt

Lees over de aanloop tot dit verhaal: Op zoek naar oudtante Clara

Clara Löwenhardt is op 4 augustus 1880 in Oberhemer geboren. Ze groeide op in een groot Joods gezin. Clara was het zesde kind van Pauline Lennhoff (33) en haar man, slager Levi Löwenhardt (dan 40). Ze was in het gezin het eerstgeboren meisje; bij haar geboorte had ze vijf broers in de leeftijden van 19 maanden, bijna drie jaar, vier jaar, bijna zes jaar, en zeven jaar. Gedurende de twaalf jaren na haar geboorte volgden in het gezin nog twee meisjes en vier broers. Op Clara’s tiende verjaardag was mijn grootvader Adolf zes jaar; Salomon, hun oudste broer, was nog nét geen zeventien.

Ik kan me onmogelijk voorstellen wat het betekent op te groeien in een zo groot gezin, laat staan een groot Joods gezin. Het leeftijdsverschil tussen het jongste en het oudste kind bedroeg bijna twintig jaren. Hoe gingen de broers en zussen met elkaar om, in hun jeugd en op latere leeftijd? Voor de jaren ná 1945 is duidelijk dat er bij degenen in het buitenland belangstelling was voor de lotgevallen van hen die in Europa waren achtergebleven. Maar had Clara gedurende de laatste veertien jaren van haar leven contact met haar enige nog in Duitsland levende broer, Julius in Mühlhausen, Thüringen, DDR?1 Of met haar neef Heinz in Almelo, Nederland, bij wie ze voorafgaand aan haar terugkeer naar Hamburg op bezoek was geweest? Niets wijst er op dat dit het geval was.    

Over de eerste vijftig jaren van haar leven is mijn kennis fragmentarisch. In haar jonge jaren leerde ze naaien; het zou haar later goed van pas komen. Rond haar twintigste verjaardag huwde ze de niet-Joodse Paul Schöning en vijf jaren later had ze met hem drie zonen. De jongste zoon, Theodor, werd in juli 1905 geboren in Hamburg-Wandsbek. In 1910 zette Clara haar jongere zus Johanna in Hamburg op de boot (de S.S. Pennsylvania) naar de Verenigde Staten. Johanna, toen 25 jaar, emigreerde samen met haar man en twee jonge zoontjes Hans en Ralph. Vijftien jaar later reisde Johanna met de twee jongens, toen zestien en zeventien jaar oud, op de S.S. Albert Ballin van New York naar Hamburg om hen Duitsland te laten zien. Clara stond op de kade om hen te verwelkomen. 

Erlenkamp 12, Hamburg

Op 8 januari 1929, negen maanden voor de ‘grote beurskrach’ in New York, trad Clara in dienst van het warenhuis Karstadt. Ze was 48 jaar oud, mogelijk had ze daarvóór ook al gewerkt; daarvan bestaat geen documentatie. Warenhuisketen Karstadt had vestigingen in tientallen Duitse steden. De imposante Hamburgse winkel aan de Mönckebergstraße was niet ver van Clara’s woning. Met haar man bewoonde ze een ruim appartement op de eerste verdieping van een fraai pand in een statige, door kastanjebomen omzoomde straat, Erlenkamp 12. Haar maandsalaris bedroeg ruim 300 Reichsmark. De baan zal Clara en haar gezin hebben geholpen de moeilijke jaren van de crisis en massa-werkloosheid door te komen. 

RAMPSPOED
Wat ze niet besefte, wat niemand kon voorzien: het rampjaar 1933 markeerde het begin van bijna twintig jaar ellende. Op 24 april verzond de afdeling personeelszaken van Karstadt Hamburg haar ontslagbrief. Clara was één van de 800 Joodse medewerkers die Karstadt in heel Duitsland onder druk van de Nazi’s ontsloeg. De brief laat er geen twijfel over bestaan dat Karstadt haar werk op waarde schatte. Het bedrijf schrijft door haar ‘Joodse afstamming’ en ‘de ontwikkeling van de dingen’ gedwongen te zijn tot een ‘serieuze’ en ‘betreurenswaardige stap’, ontslag per direct. ‘Wij hebben begrip voor de uitzonderlijke hardheid die dit voor u kan betekenen’ en Karstadt biedt aan haar salaris door te betalen tot eind mei. De brief eindigt met het woord ‘Hochachtungsvoll’. Maar Clara staat op straat.

Het ontslag treft haar des te zwaarder omdat haar juist een promotie in het vooruitzicht is gesteld als inkoopster en afdelingscheffin bij de tot het Karstadt concern behorende firma Sänger in Ahlen (Westfalen). Ze zou daar RM500 gaan verdienen. Toch weet ze een nieuwe – maar slechter betaalde – baan te vinden, als verkoopster op de afdeling damesmode van het Joodse Kaufhaus Gebr. Alsberg. Maar in 1934 wordt Alsberg geariseerd (zeg maar: geroofd) en de firma gaat verder met Nazi-vriendelijke, niet-Joodse eigenaren onder de naam Modehaus Striebeck. 

Op 3 mei 1933 overlijdt Clara’s moeder Pauline in Dortmund-Hörde. Ondertussen heeft haar man Paul duidelijk gemaakt dat hij wil scheiden. Voorzover uit de documenten is op te maken voltrekt de scheiding zich in 1933-34 en moet Clara in ieder geval aanvankelijk haar ex-man financieel onderhouden hoewel zij zelf aan de scheiding geen schuld heeft… afgezien van het feit dat ze Joods is. Op donderdagochtend 31 maart 1938 krijgt Clara op haar werk bij Striebeck een getypt briefje in handen gedrukt met de snauwende tekst ‘Wij beëindigen hierbij uw aanstelling per eind april 1938. Tegelijkertijd krijgt u met onmiddellijke ingang vakantie.’ Korter kon het niet; ze kon vertrekken. 

En ze vertrekt. Clara’s twee oudste zonen, ongeveer 36 en 38 jaar oud, wonen op dat moment in Montevideo, Uruguay. De documenten geven geen uitsluitsel over de vraag wanneer zij zijn geëmigreerd. We kennen zelfs hun voornamen niet. Maar ongetwijfeld heeft hun aanwezigheid daar geholpen bij het verkrijgen van een inreisvisum. Op 9 november ondertekent dokter Lüders, verbonden aan het Uruguayaanse consulaat in Hamburg, het Certificado Medico: hij verklaart dat er geen medische redenen zijn om Clara de toegang tot het land te ontzeggen. In de daarop volgende nachtelijke uren ondergaat het Duitse Jodendom de zogenaamde Kristallnacht.2 Het Nazituig slaat alles, inclusief mensen, kort en klein; synagogen gaan in brand. Twee dagen later gaat Clara aan boord van de MS Monte Rosa, het schip dat haar naar Montevideo vaart.3 

MS Monte Rosa onder de naam na 1945

Bijna loopt haar vlucht mis. Kort voor vertrek komt de Gestapo aan boord en haalt een aantal gezinnen van het schip. Ook Clara krijgt te horen dat ze van boord moet. Een scheepsofficier schiet te hulp, en het lukt haar om aan boord te blijven op grond van het feit dat ze alleenstaand is.4 

VERBANNING IN ZUID-AMERIKA
Bij aankomst in de haven van Montevideo zal de dan 58-jarige Clara zijn opgevangen door de gezinnen van haar zonen. De naoorlogse documenten waarop dit verhaal is gebaseerd, onthullen weinig over de tien jaren dat ze in Uruguay verbleef. De twee hoofdthema’s in die documenten zijn armoede en ziekte. 

Als zestigjarige vluchteling zonder kennis van het Spaans was het onmogelijk een behoorlijke baan te vinden. Clara viel terug op de vaardigheid die ze in haar jeugd had aangeleerd. Met thuiswerk als zelfstandig naaister verdiende ze 3 à 3,5 pesos per dag. Voor ‘kost en inwoning’ hoefde ze niet te betalen, maar toch: het  was een hongerloontje.5 

Bovendien ging haar gezondheid haar parten spelen. Vanaf 1940 had ze vooral in de Zuid-Amerikaanse winters veel last van bronchitis en kortademigheid. Ondertussen zal ze hebben begrepen dat de achterblijvers van haar familie in Europa groot gevaar liepen. Haar jongste zoon Theodor, die in 1935 was getrouwd en in Hamburg was achtergebleven, wist zijn halfjoodse afkomst te verdoezelen en had kennelijk geen grote problemen.

Over de ‘Uruguayaanse zonen’ weten we verder vrijwel niets. Clara maakt bij hen de geboorte van haar eerste kleinkinderen mee.  Maar later meldt ze ook dat ze in de omgeving van die gezinnen sterke antisemitische gevoelens bespeurde. Ook daar. In februari 1953 – Clara woont dan weer in Hamburg – overlijdt de vrouw van  haar tweede zoon; het stel heeft op dat moment vijf kinderen. Een maand later overlijdt Clara’s oudste zoon. 

VROUW MET ZEEBENEN?
Na afloop van de oorlog wil Clara terug naar Hamburg. Daar behartigt haar zoon Theodor haar belangen. Het leidt ertoe dat het Hamburgse ‘Wohnungsamt’ haar op 13 februari 1948 een verblijfsvergunning toekent. De Britse autoriteiten – Hamburg was gelegen in de Britse bezettingszone – drukten vier dagen later hun goedkeuringsstempel op deze verblijfsvergunning. Clara regelde een Uruguayaans paspoort en verkreeg doorreisvisa voor Frankrijk, Engeland en Nederland met het oog op inreis naar Duitsland.6 Niets belette haar nog een bootticket te kopen. 

Januari 1949, in de kinderwagen (jongen links onbekend)

Wanneer Clara de oceaan is overgestoken en waar ze aan land ging, ik weet het niet. Maar in januari 1949 is ze in Almelo en duwt mij, dan zeventien maanden oud, in een kinderwagen voort. Twee andere foto’s documenteren dat ze in ieder geval tot en met mei is gebleven. Er wachtte Clara in Nederland een wel héél onaangename verrassing. Het ‘Military Permit Office’ verklaarde haar inreisvisum voor Duitsland voor ongeldig.6 Waarom? Onbekend. Voor Nederland had ze slechts een doorreisvisum: ze moest dus terug naar Uruguay. Op 30 augustus vertrok ze op de ‘Florida’ vanuit een Franse haven. De teleurstelling en frustratie zullen haar het leven hebben vergald.  

Maar ze laat het er niet bij zitten. Op 26 januari 1950 ondertekent zoon Theodor in Hamburg namens haar een aanvraag voor Wiedergutmachung en verklaart dat ze terug wil komen. Twee weken later schrijft het Amt für Wiedergutmachung aan het Hamburgse Wohnungsamt dat Clara pensioenaanspraken kan doen gelden. Kennelijk zijn de problemen ineens opgelost, Clara kan voor de derde keer een transatlantisch bootticket kopen. Op 21 september vertrekt ze – waarschijnlijk op een vrachtschip – vanuit Montevideo naar Genua en op 16 oktober keert ze in Hamburg terug. Clara is dan zeventig jaar oud.7 

Waar het bizarre ge-heen-en-weer aan te wijten was, ik kan alleen speculeren. De aandacht en het begrip van de autoriteiten voor de overlevers van de sjo’a was in Duitsland een stuk beter dan in Nederland, daar zal het niet aan gelegen hebben. Bij Engelse stempelaars (ik doel op de militaire bureaucratie) ontbrak het daar nogal aan. Ik acht de kans nog het grootst dat Clara’s moeilijkheden te wijten waren aan een in de gegeven situatie begrijpelijke onkunde over hoe het beste te handelen, in combinatie met de voortschrijdende wettelijke ontwikkelingen in Duitsland. Gezien vanuit het heden is het opmerkelijk dat Clara zich in 1949 schikte in haar bittere lot, ze stapte wéér op de boot. 

ARMOEDE
Clara kwam berooid in Hamburg aan. Ze had geen Pfennig en was afhankelijk van ondersteuning door de instanties. In het kleine appartement van haar zoon Theodor aan de Mühlendamm 51-vier hoog, sliep ze op de bank. Een extra kamer voor haar was er niet. Bovendien, met haar in Montevideo opgedane bronchitis en hartproblemen, was het traplopen naar  de vierde etage een groot probleem. Op 22 januari 1951 schrijft ze haar eerste bedelbrief voor een voorschot op de Wiedergutmachung uitkering. Ze leeft van een pensioentje van nog geen 75 mark per maand, schrijft ze, en wil graag een kamer huren en wat spulletjes kopen voor de inrichting ervan. 

Bij haar brief voegt Clara een handgeschreven lijst van haar broers en zussen en hun gezinnen die slachtoffer zijn geworden van de Jodenvervolging. De lijst laat zien dat zij goed op de hoogte is van het lot van vrijwel alle naaste familieleden. Van de 11 broers en zussen noemt zij er zeven met naam en woonplaats, met hun partners en kinderen. Voor een deel van hen beschikt ze over de overlijdensaktes. De overige vier zijn Johanna en Hermann, waarvan ze weet dat zij naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd; Julius, de enige van het twaalftal die in Duitsland de slachting heeft overleefd, en de vrouw en zoon van de eerstgeboren broer, die al in 1923 was overleden, Salomon-Georg. Zij blijkt er ook van op de hoogte dat haar neef Julius Löwenhardt (1902-1947) tijdig naar Palestina is geëmigreerd. De twee zonen van haar broer Siegmund Löwenhardt en diens vrouw noemt zij niet, de dochter wel. Daar kan uit worden afgeleid dat Clara wist dat de twee zonen in maart 1939, vijf maanden na haar aankomst in Montevideo, met een Kindertransport naar Engeland waren ontkomen. 

Clara was de enige Löwenhardt die in Hamburg woonde. Van de twaalf kinderen die tussen 1873 en 1892 in het kleine Oberhemer waren geboren, bleef niemand daar wonen. Hun vader overleed toen Clara 17 en haar jongste broertje zes jaar oud was. De drie jongste jongens werden in het Joodse weeshuis in Paderborn opgenomen en hun moeder Pauline vertrok naar Dortmund. Broers en zussen van Clara verhuisden naar Berlijn, Sterkrade in het Ruhrgebied, Bremen, Dortmund en Dortmund-Hörde, Detroit (USA) en Mühlhausen in Thüringen.

MEDISCHE ONDERZOEKEN
De vijf jaren na Clara’s definitieve terugkomst staan in het teken van de strijd om het pensioen waar ze recht op heeft, en compensatie voor de schade die het Nazisme aan haar leven heeft toegebracht. Dat betekent: veel brieven schrijven, formulieren invullen, documenten overleggen en instanties bezoeken. In 1951-1952 (ze is dan 71 jaar!) ondergaat ze in verband met haar verzekeringsclaim zeer uitvoerige medische keuringen die soms dagen in beslag nemen. 

Op 28 en 29 augustus 1951  wordt ze in een kliniek voor longziektes uitvoerig onderzocht. Aan het eind van zijn vier pagina’s tellende rapport schrijft longarts Walter Kusick op 2 september dat Clara’s gezondheidsklachten niet zozeer door het klimaat in Uruguay kunnen zijn veroorzaakt (zoals Clara denkt), maar eerder door ‘Begleitumstände der Emigration’ de economische problemen die ze heeft ondervonden en de slechte woonsituatie. Hij adviseert een vervolgonderzoek na een jaar. 

Op 31 maart 1952 wordt Clara weer opgenomen voor onderzoek – en dat duurt tot 12 april. Het gaat er daarbij met name om, of er sprake kan zijn (geweest) van een tropische schimmelinfectie van haar longen. Het antwoord is uitgesproken negatief. Het rapport is deze keer vijf pagina’s lang en chef-arts Prof. dr. Mohr bekrachtigt eigenlijk de conclusie van longarts Kusick. Hij stelt vast dat niet het klimaat van Montevideo Clara’s bronchitis kan hebben veroorzaakt, maar eerder de stress en psychische belasting van haar vlucht en moeilijke situatie, in combinatie met haar hoge leeftijd. Clara was waarschijnlijk teleurgesteld, maar de twee medische rapporten maken een zorgvuldige en degelijke indruk. De conclusies – die wijzen in de richting van een iets lager pensioen dan zij had gehoopt – lijken gerechtvaardigd.

Dit alles resulteert er in dat haar in augustus 1952 (met terugwerkende kracht tot oktober 1950) een pensioen wordt toegekend van DM 233,30. In januari 1955 wordt haar Wiedergutmachung ter hoogte van DM 8.517 (met aftrek van voorschotten) toegezegd en in juli 1956 nog eens ‘Soforthilfe’ ter hoogte van DM 6.000. 

Midden in deze periode overlijden in Montevideo de vrouw van haar tweede zoon (februari 1953) en haar oudste zoon (maart 1953). Ze heeft in Montevideo vijf kleinkinderen en schrijft in juli 1954 een bedelbrief aan de gemeente, waarin ze een voorschot op de Wiedergutmachung vraagt om naar Montevideo te kunnen reizen. Het jongste kleinkind waarvoor haar zoon moet zorgen, is vijftien maanden oud, schrijft ze, en de oudere schrijven haar en vragen haar om te komen. Ze wil bovendien opdracht geven om een steen te laten maken voor het graf van haar oudste zoon. 

Hoe op deze brief is gereageerd, weet ik niet. Maar een half jaar later komt dus de uiteindelijke beschikking over de Wiedergutmachung, en kan ze zich de reis permitteren. Of Clara werkelijk nog een vijfde en zesde keer de Atlantische Oceaan is overgestoken? Van Hamburg naar Montevideo of vice versa betekent een bootreis van 6.500 zeemijlen die bijna vier weken duurt.

Na 1933 heeft Clara bijna twee decennia lang ellende ondervonden vanwege het feit dat ze Jodin was. Maar voelde ze zich ook zo? Hoe vroom ze was, weet ik niet. Zeker is dat ze lid was van de Joodse Gemeente Hamburg voor én na haar verblijf in Uruguay. In Montevideo (1938-48) was ze aangesloten bij de Joodse Vrouwenbond. En in oktober 1958 behoorde ze in Hamburg tot de eerste bewoners die het nieuwgebouwde Joodse bejaardentehuis aan de Schäferkampsallee betrokken.8 Ze wilde kennelijk op de Joodse begraafplaats begraven worden, en op haar steen staan de Hebreeuwse jaartallen en de geëikte Hebreeuwse afkortingen. Dat suggereert dat het Jodendom voor Clara toch nog wel iets betekende.

 In 1957 ondergaat ze een darmoperatie. Gedurende de laatste jaren van haar leven volgt ze een streng dieet. Clara overlijdt op 6 januari 1964, ruim drie jaren na haar jongste zoon Theodor (die 55 werd) en bijna elf jaren na haar oudste zoon die 53 is geworden. Clara is 83 geworden, haar moeder (twaalf kinderen!) was 85 toen ze in 1933 overleed. Van Clara’s negen broers en twee zussen hebben alleen Johanna (87, Venice, Florida USA) en Julius (86, Mühlhausen, DDR) een hogere leeftijd bereikt. Zes broers, mijn grootvader meegerekend, kregen de kans niet om oud te worden. Zij stierven een niet-natuurlijke dood, op een gruwelijke plek. Zij hebben geen graf.


Print Friendly, PDF & Email
  1. Julius overleed in oktober 1973. [↩]
  2. In Duitsland tegenwoordig Pogromnacht genoemd. [↩]
  3. De MS Monte Rosa was in 1930 van stapel gelopen en werd geëxploiteerd door scheepvaartmaatschappij Hamburg-Süd. Na 1945 in Brits bezit onder de naam Empire Windrush. [↩]
  4. Handgeschreven verklaring van Clara uit 1951. [↩]
  5. Als ze al voor 20 dagen per maand naaiwerk kreeg, bedroeg haar inkomen dus maximaal 70 pesos. Het maandinkomen van een semi-geschoolde arbeider in Montevideo bedroeg in 1940 800 a 1200 pesos, zegt ChatGPT. [↩]
  6. Brief Notgemeinschaft… van 13 juni 1951 [↩] [↩]
  7. Passagierslijst 21.09.1950, Agencia Maritima Jaime Caprau Ltda., 37 passagiers [↩]
  8. Een jaar later begon de Joodse Gemeente met de bouw van een Joods ziekenhuis en in september 1960 werd de nieuwe synagoge ingewijd. Het aantal gemeenteleden bedroeg in deze jaren rond de 1.300. [↩]

Categorie: (Ober)Hemer, Almelo, Dortmund, Dortmund-Hörde, Hamburg, Montevideo Tags: Clara Löwenhardt, Clara Schöning-Löwenhardt, Heinz Löwenhardt, Johanna Loewenhardt, Mimi de Leeuw, Paul Schöning, Theodor Schöning

Primaire Sidebar

  • Nederlands
  • English
  • Deutsch


  • Verhalen
  • Foto’s
  • Locaties

© 2026 | Löwenhardt Foundation | Cookie-instellingen