Ik ben de inspirator van deze website, auteur, redacteur en voorzitter van het stichtingsbestuur. Ik schrijf hier over mijn niet aflatende speurtocht naar de familiegeschiedenis, dat wil zeggen de geschiedenissen van de gezinnen van mijn vier Joodse grootouders en van hun zussen en broers, 31 in getal. Daarmee ben ik in 2010 begonnen toen ik nog werkzaam was bij de Rijksoverheid; sinds mijn pensionering in 2012 neemt dit onderzoek een groot deel van mijn tijd in beslag.
Ik ben in de zomer van 1947 in Almelo geboren en kreeg van mijn ouders als eerste voornaam die van mijn drie jaren eerder op de Veluwe vermoorde oom Johan (Jopie) de Leeuw. Zij noemden me Sjonnie, mogelijk als eerbetoon aan de bevrijders. Mimi en Heinz hadden elkaar in 1935 ontmoet en zich drie jaren later in Almelo verloofd. In de zomer van 1942 waren zij ondergedoken, een gedeelte van de volgende bijna drie jaren tezamen bij de textielarbeider, anarchist en geheelonthouder Anne Ottema en zijn dochter Grada. De verhalen zijn op deze website te vinden. Zij waren er in geslaagd hun kinderwens uit te stellen tot na hun huwelijk in mei 1946.
Sjonnie groeide op achter en boven de slagerswinkel in de Schuttenstraat. Zus Louisa (Liesje) werd in 1950 geboren; ik hoorde het nieuws bij ’tante Grada’ en ‘opa Ottema’ bij wie ik tijdelijk was ondergebracht. Beide ouders – en niemand anders – werkten in de slagerij en van de kinderen werd verwacht dat zij hielpen met de grote afwas iedere donderdag- en zaterdagavond. Daarna zette vader Heinz zich aan de keukentafel om de inkomsten van de afgelopen week te tellen, papier- en kleingeld. Er werd hard gewerkt voor een karig inkomen maar op een warme zomerdag was er tijd voor een bad in het kanaal Almelo-Nordhorn bij ‘De Pook’, bosbessen plukken op de Holterberg en later voor korte vakanties op Schiermonnikoog.

‘De Pook’


Sjonnie bezocht vanaf 1953 de Windhoekschool, gevestigd in een eenvoudig schoolgebouw dat in 1949 was vervaardigd uit Fins hout. Ik bleef er vier jaren. De laatste twee jaren van de lagere school volgde ik in een zogenaamde ‘overgangsschool’ die voorbereidde op middelbaar onderwijs. Het curriculum in deze Almelose ‘Dijkschool’ verschilde van dat in gewone lagere scholen in dat hier een begin werd gemaakt met onderwijs in de Franse taal. Na een toelatingsexamen begon ik in het najaar van 1959 aan de middelbare schoolopleiding aan het Erasmus Lyceum. Ik koos voor de HBS-B richting met exacte vakken en drie ‘moderne’ talen: Duits, Engels en Frans. Ik werd redacteur van de schoolkrant en speelde enkele jaren in de toneelvereniging die repeteerde bij biologieleraar Jonge Poerink. In het voorjaar van 1964 legde ik het eindexamen af.
naar Amsterdam!
Studiekeuze was een probleem. John – het Sjonnie had ik inmiddels afgezworen – was geen uitblinker in vakken als stereometrie. Ik dacht zelf aan een studie civiele bouwkunde in Delft, maar moest erkennen dat dit waarschijnlijk te hoog was gegrepen. Een studiekeuzetest resulteerde in het advies om in Amsterdam een sociaal vak te gaan studeren. Dit sloot aan bij mijn groeiende belangstelling voor de Europese integratie. Ik had het geluk te worden geselecteerd voor een landelijke studiereis van schoolkrantredacteuren naar Luxemburg, Straatsburg (EEG) en Parijs (Navo). Deze busreis vertrok vanuit Den Haag op het moment in 1962 dat de Cubacrisis losbarstte en in Europa een acute angst voor oorlog ontstond.
In de zomer van 1964, nog net voor mijn zeventiende verjaardag, schreef ik me in bij de Universiteit van Amsterdam, studierichting PSF-A: sociale en politieke wetenschappen. Ik verliet het ouderlijk huis in Almelo en betrok mijn eerste kamer, gelegen op de vierde verdieping in een huizenblok aan de Jan van Galenstraat, met uitzicht over het Erasmus Park en in de verte de ‘kolenkit’. Tussen Almelo en Amsterdam reisde ik per trein; het was de tijd waarin mannen in witte jasjes op het perron bij de stop in Deventer nog vanaf grote dienbladen kartonnen bekers met koffie te koop aanboden.
Ik had een studiebeurs van tweeduizend gulden voor het studiejaar en leefde van vijfentwintig gulden in de week. Koken op een elektrisch kookplaatje in het trappenhuis. Na een jaar verhuisde ik naar een kamer in de Argonautenstraat. In 1966 was ik één van de uitverkoren studenten die als eersten een kamer mochten betrekken in de trots van architect Herman Hertzberger, studentenhuis Weesperstraat.


In 1964 was ik lid geworden van studentenvereniging Olofspoort en ik voegde mij bij het dispuut ‘Waboe’, afkorting voor Wat Bindt Ons Eigenlijk? Met mijn dispuutsgenoten (Amanda, Eva Bando, Wop, Bert Minne e.a.) haalde ik voor het eerst in mijn leven een nacht door in studentenhuis Casa 2000; de alcoholconsumptie was heel matig.
De universitaire studie kende in die jaren een kandidaatsfase, na drie studiejaren af te sluiten met het kandidaatsexamen, en een doctoraalfase. Het doctoraalexamen leverde de titel doctorandus, drs., op. De kandidaatsstudie PSF-A omvatte introducties in maar liefst zes disciplines, zes verschillende manieren van denken: politicologie (politieke wetenschappen, hoogleraar Hans Daudt), sociologie (Arie den Hollander), economie (Salomon Kleerekoper, later Henk Misset), rechtswetenschap (Guus Belinfante), geschiedenis (Frits de Jong Edz.) en internationale betrekkingen (Peter Baehr). Daarnaast volgde ik colleges perswetenschappen en Ruslandkunde / Russische geschiedenis (Jan-Willem Bezemer). Op 4 juli 1968, de ‘Praagse Lente’ stond in volle bloei, haalde ik in het IISG aan de Amsterdamse Keizersgracht ten overstaan van een examencommissie bestaande uit De Jong, Misset en Daudt mijn kandidaatsexamen… met de hakken over de sloot, of, in de officiële terminologie van de commissie, ‘niet dan na lange aarzeling’. Het was een kwalificatie die ik niet erg op prijs heb gesteld.



specialisatie Ruslandkunde, Sovjetologie
Ik had hard gewerkt voor het kandidaatsexamen en het zuinige oordeel van de commissie kwam daarom hard aan. Maar ik liet me er niet door van de wijs brengen. Ik had ondertussen een gesprek gehad met hoogleraar Bezemer en hem verteld dat ik me voor het doctoraalexamen graag wilde specialiseren in de Sovjetologie. Bezemer was rechtstreeks betrokken geweest bij het instellen van deze specialisatie, toch drong hij er bij me op aan mijn plannen te laten varen. Er was in dit vak, in zijn woorden, ‘geen droog brood te verdienen’.
Lees ook Achnebbisj, een zelfanalyse
Ik ging eerst maar eens op vakantie met mijn vriendin Roef Brouwer die ik in het najaar van 1966 had leren kennen, om precies te zijn: in de ‘nacht van Schmelzer’. In een ‘eend’ (2CV) reden we via Praag naar de kust van Joegoslavië…. dachten we. Op 20 augustus 1968 passeerden we bij Waidhaus-Rozvadov de grensovergang en reden de Tsjecho-Slowaakse Socialistische Republiek binnen. Net voorbij Pilsen, bij het dorp Rokycany besloten we te overnachten op de plaatselijke camping. De laatste negentig kilometer naar Praag zouden wij de volgende dag afleggen.
Zo ver kwam het niet. De volgende ochtend bleek Tsjechoslowakije te zijn bezet door troepen uit vijf Warschaupact landen onder aanvoering van de Sovjetunie. Zij wilden een einde maken aan het hervormingsgezinde regime van partijleider Alexander Dubček. In de nacht en vroege ochtend hadden we in ons tentje intensief vliegverkeer gehoord – en nu waren campinggasten uit westerse landen, uit de DDR en uit Praag in rep en roer. Het gonsde van de geruchten, betrouwbare informatie was niet te verkrijgen. Het enige informatiemiddel was de radio en over een autoradio beschikten we nog niet. Een Praags gezin besloot toch naar huis te rijden… en kwam enkele uren later terug, radeloos, reddeloos. In de loop van 21 augustus werd duidelijk dat het land bezet was. De volgende dag vierde ik op de camping mijn 21e verjaardag. Bij een wandeling in de directe omgeving zag ik sovjettanks voorbij stuiven.
Goede raad was duur, er viel met niemand buiten de camping contact te leggen. Het bleef onduidelijk of de grenzen open waren, en zo ja, welke overgangen. Radioberichten waren vaag of tegenstrijdig. In overleg besloten we met een aantal gezinnen uit West-Europa enkele dagen te wachten en vervolgens in konvooi naar de grensovergang Waidhaus te rijden. Aldus geschiedde. In Pilzen laveerden we met onze auto’s tussen wegversperringen door die burgers haden opgeworpen. Toen we eindelijk bij Waidhaus in het niemandsland het grensriviertje naderden kwam een meute Westerse journalisten ons tegemoet.
Een jaar later besloten we onze vakantiebestemming verder weg te zoeken: Roemenië. Aan de grens hoorden we dat een eerste mens op de maan was geland. In stromende regen brachten we vervolgens dagenlang door in een dorp nabij Suceava aan de Humor rivier.
In 1970 kwam het afstuderen in zicht – en daar was een onderwerp voor een doctoraalscriptie voor nodig. Ik was niet alleen student aan het Oost-Europa Instituut maar had sinds 1970 ook een baantje als ‘kandidaat-assistent.’ Dat hield ondermeer in het rubriceren en catalogiseren van artikelen in de talloze binnenkomende Russische kranten en tijdschriften. Gaandeweg had ik me gespecialiseerd op het onderwerp milieu in de Sovjetunie (de in omvang snel groeiende rubriek 5 in de systematische artikelencatalogus) en ik las steeds vaker over acties tot behoud van het Bajkalmeer in Siberië. Ik besloot de vervuiling van dat unieke meer tot onderwerp van mijn doctoraalscriptie te maken en slaagde erin te worden opgenomen in een internationale delegatie van limnologen die het meer in september 1971 bezocht. De mij uit publicaties al bekende professor Grigory I. Galazy, directeur van het Limnologisch Instituut, begeleidde ons. Tijdens dit bezoek wist ik de hand te leggen op informatie over de vervuiling van het meer waar niemand buiten de Sovjetunie over beschikte. Mijn scriptie was in het voorjaar van 1972 klaar, een samenvatting verscheen in de Internationale Spectator.
1972-1974: studie in Washington DC en New York
Na acht jaren aan de PSF studeerde ik in 1972 af. Mijn specialisatie was sovjetologie en mijn vrouw Roef, afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, was zwanger. Ik had een vrijstelling van collegegeld en een kleine beurs weten te regelen voor voortgezette studie aan Georgetown University in Washington D.C. Kort na het doctoraalexamen vertrokken we naar de Verenigde Staten. De zomer brachten we door bij kennissen in Tuscaloosa, Alabama; de ‘culture shock’ was hevig.
In december van dat jaar werd dochter Sanne geboren in het Georgetown University Hospital. Toen ik enkele dagen later haar geboorte bij de Nederlandse Ambassade aan ging geven, werd ik onthaald op een glaasje sherry.
Ondertussen liep de jonge vader colleges aan twee universiteiten tegelijk: Georgetown, en George Washington University. De vakken waren politieke wetenschappen (Jeane Kirkpatrick, 1926-2006); sociolinguistiek; en het verband tussen technologische ontwikkeling en politiek bestuur. Ik had al spoedig besloten me niet in te schrijven voor het PhD programma omdat dit een studie inhield van vakken die ik ofwel al had gevolgd ofwel die me maar matig interesseerden. Ten behoeve van de studie sociolinguistiek deed ik in deze periode onderzoek in de Library of Congress, waar ik de Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal liet aanrukken. Dit onderzoek mondde uit in een werkstuk over interruptiestructuren in de Tweede Kamer-debatten.
Wij woonden op de andere oever van de Potomac, in Arlington-Noord een korte rit vanaf Key Bridge. Sanne bezorgde ons na een week of twee grote schrik toen ze bloed ophoestte. Met gillende sirene reed ik in de ambulance naar Arlington Hospital en van daar, na het uitoefenen van onbetamelijke druk op de artsen, naar het Children’s Hospital in D.C. Dat ziekenhuis had een uitstekende reputatie. Van daaruit telefonades met arts Arnold, de broer van Roef in Nederland. Uiteindelijk werd de diagnose gesteld van een bloedende beschadiging van de slokdarm als gevolg van ons gestuntel met Sanne’s voeding in de eerste weken na haar geboorte. We moesten de Nederlandse kraam- en zuigelingenzorg node missen.
Na een zomer in Nederland met Roef en baby-Sanne deed zich – dankzij de inspanningen van professor JW Bezemer en de ZWO-beurs die hij regelde – de mogelijkheid voor nog een jaar in de VS te verblijven. Ik keerde in september 1973 terug naar New York om daar woonruimte te zoeken en mijn opwachting te maken als nieuwbakken Junior Fellow aan het Russian Institute (professor Marshall D. Shulman, 1916-2007) van Columbia University. In die hoedanigheid kon ik deelnemen aan alle activiteiten van het W. Averell Harriman Institute for Advanced Study of the Soviet Union waar in die tijd Zbigniew Brzeziński (1928-2017) aan het roer stond. In dit jaar kwam ik in contact – en onder de invloed – van leidende denkers en onderzoekers op het terrein van de Ruslandkunde en sovjetologie. Een eerste schets van mijn promotieonderwerp werkte ik uit met wetenschapshistoricus professor Loren R. Graham (1933-2024) van Columbia University. In de zomer van 1974 keerden we naar Nederland terug. Mijn bedoeling was om uiteindelijk bij Bezemer en Daudt te promoveren.


1974-1986: dienstweigering, Oost-Europa Instituut
Omdat we op vliegveld Zaventem vlogen, bleef mijn terugkeer in Nederland aanvankelijk onopgemerkt. Maar boven mijn hoofd hing nog wel de dienstplicht. Daarom meldde ik me korte tijd later bij de gemeente Amsterdam die me doorstuurde naar de Bernhardkazerne in Amersfoort. Toen ik daar onder de krijgstucht werd geplaatst, verklaarde ik dienst te weigeren. Ik wist dat er een lange periode zou volgen tot het moment waarop ik als ‘erkend gewetensbezwaarde’ vervangende dienst zou kunnen doen.
Lees ook Achnebbisj, een zelfanalyse
We namen onze intrek in onze woning aan de Noorderstraat in Amsterdam, eigendom van de erven Brouwer. Ik vond tijdelijk werk bij de redactie van de Grote Spectrum Encyclopedie die op dat moment in voorbereiding was. Deze publicatie beloofde een heel nieuw soort encyclopedie te worden, met veel aandacht voor de sociale wetenschappen en een overdaad aan kleurenillustraties en ‘infographics’ (het woord bestond nog niet, het fenomeen stond in de kinderschoenen). Ik werd aangesteld als redacteur politicologie op een redactie waar veel jonge intellectuelen werkten die later bekendheid verwierven: H.J. Schoo, Midas Dekkers, Herman en Flip Vuijsje. Het was een buitengewoon inspirerende werkomgeving daar in de nieuwgebouwde ‘Parooltoren’ aan de Wibautstraat. Met Hendrik-Jan Schoo deelde ik een werkkamer en we raakten bevriend. In maart 1975 werd in het Wilhelmina Gasthuis dochter Wieke geboren.
In december 1975 ontving ik de officiële brief waarin ik als gewetensbezwaarde werd erkend. Collega Marius Broekmeyer aan het Oost-Europa Instituut wist binnen een week met het ministerie van Sociale Zaken te regelen dat ik al in januari bij het Instituut kon beginnen aan mijn vervangende dienst die in totaal 21 maanden in beslag zou nemen, drie maanden langer dan een dienstplichtig militair. Met twee dochters werd de bovenwoning aan de Noorderstraat nogal krap, en we kochten daarom een te bouwen huis aan de Baljuw in de Risdam bij Hoorn. Deze nieuwbouwwijk, bedoeld als ‘overloop’ voor Amsterdam, was volop in ontwikkeling.
Sanne en Wieke groeien op in de Risdam. Ik forens iedere werkdag met de trein naar Amsterdam. Begeleid door de hoogleraren Bezemer en Daudt werk ik aan mijn proefschrift, dat ik uiteindelijk op 15 mei 1981 in de aula van de Universiteit van Amsterdam verdedig. De titel is Decision making in Soviet politics. De handelseditie wordt uitgebracht door uitgeverij Macmillan in Londen. Ik publiceer bovendien een boek over het Politbureau van de CPSU (1978; Engelse vertaling 1982) en redigeer een boek over De Russen en oorlog (1985) en, samen met Bart Tromp, een bundel opstellen over kerngeleerde en vredesactivist Andrej Sacharov (1986).
In deze periode begin ik ook – op eigen initiatief – met het geven van hoor- en werkcolleges. Tot verbazing van mijn oudere collega’s op het Oost-Europa Instituut (naast Marius Broekmeyer: Martin van den Heuvel en Henk Verhaar) volg ik aan een nieuwe afdeling van de universiteit een cursus onderwijskunde. Bovendien ben ik studiecoördinator van de nieuwe studierichting Ruslandkunde die in de Letterenfaculteit wordt opgezet. In mei 1983 wordt in ons huis aan de Snoekjesgracht in Amsterdam Tesse Martha geboren, dochter van Beatrijs van Westerop en mij. Vanuit de slaapkamer waarin zij is geboren hebben we uitzicht op de achterkant van het Huis de Pinto. De voorkant van ons grachtenhuis staat in de as van de Oudeschans en geeft een schitterend uitzicht op binnenvarende schepen en bootjes.
Voor Sanne en Wieke heb ik op de hoogste verdieping een spookzolder ingericht. We fungeren als anti-kraak bewoners en beschikken over het hele huis behalve de begane grond; de huur bedraagt vijftig gulden per maand. Enkele weken na Tess’ geboorte moeten we verhuizen naar een nieuw opgeleverde woning in de Sint Antoniesbreestraat, op de derde verdieping naast het postkantoor. Hier bieden keuken en terras aan de achterkant uitzicht op de achterkant en tuin van het Trippenhuis uit 1660-62, waarin nu de Koninklijke Academie van Wetenschappen is gevestigd.
Rond deze tijd koop ik mijn eerste computer, een draagbare Kaypro die er uit ziet als een flinke draagbare naaimachine. Ik gebruik hem voornamelijk als tekstverwerker en zeul hem dagelijks mee naar mijn werkplek in het Oost-Indië-Huis aan de Oude Hoogstraat, een paar minuten te voet van ons huis. Mijn collega’s tolereren mijn computer, die zij zien als een modegril.
Het aantreden in maart 1985 van Michaïl Gorbatsjov als secretaris-generaal van de CPSU stimuleert de belangstelling van studenten en van het algemene publiek voor de ontwikkelingen in de Sovjetunie. Mijn werk komt in een stroomversnelling terecht.
1986-1997: Leiden, Instituut voor Oosteuropees Recht en Ruslandkunde
In 1986 polst mijn Leidse collega, de jurist dr Ger van den Berg mij voor een positie aan het Documentatiecentrum voor Oost-Europees Recht van de Leidse Rechtenfaculteit. Het aanbod is interessant omdat het Leidse instituut, anders dan het Amsterdamse Oost-Europa Instituut, internationale erkenning geniet en veel academische contacten met het buitenland onderhoudt. Het Amsterdamse Oost-Europa Instituut is in Nederland bekend, in het buitenland hoegenaamd niet. Bij het Leidse instituut is de situatie omgekeerd.
In Leiden wil de Letterenfaculteit een opleiding Ruslandkunde opzetten naar het voorbeeld van Amsterdam… en daar denkt men mij voor nodig te hebben. Ik neem in Amsterdam ontslag kort voordat mijn leermeester Bezemer met emeritaat gaat. In Leiden kopen wij een huis-met-toren (én, voor het eerst, een tuin) in de Witte Rozenstraat tegenover het huis waar de theoretisch natuurkundige Paul Ehrenfest (1880-1933) in de jaren ’20 collega’s als Niels Bohr en Albert Einstein te logeren ontving. Na verbouwing van keuken en badkamer nemen Beatrijs, Tess en ik hier onze intrek, op twee minuten wandelen van mijn werkkamer aan de Hugo de Grootstraat.
Ik ben nog niet ingewerkt wanneer eind april – begin mei berichten binnenstromen over een kernramp in de Sovjetunie. Pas na dagen van verwarring blijkt op 26 april een reactor in de kerncentrale bij Tsjernobyl in de Oekraiense sovjetrepubliek te zijn ontploft. Vanaf dit moment doen radio en tv steeds vaker een beroep op mij om de ontwikkelingen van commentaar te voorzien. In 1989 publiceer ik samen met Ger van den Berg een analyse van de besluitvorming rond de kernramp in één van de eerste Engelstalige boeken over crisisbesluitvorming.((‘Disaster at the Chernobyl Nuclear Power Plant: A Study of Crisis Decision Making in the Soviet Union’ (co-author Ger P. van den Berg), Chapter 1 in Uriel Rosenthal, Michael T. Charles & Paul ’t Hart (Eds.), Coping With Crises: The Management of Disasters, Riots and Terrorism, Springfield Ill. (Charles C. Thomas), 1989, pp. 37-65.))
Na het uiteenvallen van de Sovjetunie in 1990-91 krijg ik een ‘visiting fellowship’ aangeboden aan het Slavic Research Center van de universiteit van Hokkaido voor de periode juli 1993 – april 1994. In de rust van dit Japanse instituut werk ik aan een boek over de transitie die de Sovjetunie / Rusland doormaakt. Het verschijnt in 1995 bij Duke University Press in de USA.((The Reincarnation of Russia: Struggling with the Legacy of Communism, 1990-1994. Durham N.C. (Duke University Press) & London (Longman) 1995.)) Vier maanden voor vertrek naar Sapporo is in het Academisch Ziekenhuis van Leiden Hannah geboren, dochter van Vera Schouten en mij. Hannah zit voor het eerst rechtop in een Japanse trein en doet haar eerste stapjes op Japanse bodem.
In de zomer van 1996 nodigt mijn Britse collega Stephen White mij uit te solliciteren naar een nieuwe leerstoel aan de Universiteit van Glasgow. White is daar hoogleraar politieke wetenschappen maar tegelijk de informele spil in het bonafide onderzoek naar politieke ontwikkelingen in de Sovjetunie. Jawel, malafide onderzoek is er ook.
1997-2002: hoogleraar in Glasgow
Tot mijn verbazing kiest de selectiecommissie mij in oktober 1996 uit een sterk veld van vijf kandidaten (uit Engeland, Australië en de VS) voor deze leerstoel in Ruslandkunde en Oosteuropakunde. De leerstoel, ingesteld op initiatief van sir Graeme Davies, de nieuwe ‘Principal’ (Vice-Chancellor) van de universiteit, heeft de titel Alexander Nove Chair of Russian and East European Studies gekregen en behelst tevens de posten van directeur van het Institute of Russian and East European Studies (IREES) en bestuursvoorzitter van het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Europe-Asia Studies, voor 1993 Soviet Studies.
Het instituut heeft op dat moment vijf wetenschappelijk medewerkers die hopeloos met elkaar overhoop liggen en reddeloos in zichzelf gekeerd alle vernieuwing en samenwerking blokkeren… met elkaar maar ook met anderen binnen en buiten de universiteit. Ik kom 1 april 1997 in dienst en koop een kleine bovenwoning bij de ‘double roundabouts’ aan Beaconsfield Road in het Westend. Mijn dochters en vrienden blijven in Nederland achter.



IREES is één van de drie toonaangevende instituten in het Verenigd Koninkrijk voor de sociaalwetenschappelijke en economische bestudering van de Sovjetunie en Oost-Europa. Maar anders dan de rivaliserende instituten in Londen en Birmingham is het tegen het eind van de 20e eeuw geheel ingedut. Sir Graeme geeft mij de ondankbare taak het instituut open te breken en samen te doen werken met de rest van de universiteit en de Britse academische wereld. Vrijwel wekelijks zit ik in zijn kantoor in het hoofdgebouw en ik raak onder de indruk van het feit dat hij tijdens onze gesprekken nauwgezet aantekeningen maakt. Ik kom direct onder vuur te liggen van bijna alle medewerkers van het instituut, zowel van de achterbakse Trotskist Hillel Ticktin (1937-) als van de anti-Trotskisten: zijn ex-vrouw Tanya, de oerconservatieve Schotse keuterboer Jimmy en het jonge stiertje Ian. Voor het eerst in mijn leven ben ik omringd door vijanden.
De contacten met collega’s binnen en buiten de universiteit daarentegen zijn goed én maken veel goed. Ik ontwikkel een aantal initiatieven om IREES uit zijn isolement te trekken, initiatieven die door alle collega’s behalve vier van mijn eigen vijf stafleden worden toegejuicht. De jonge, buitenlandse professor krijgt daardoor langzamerhand het gevoel in loopgraven te verkeren. Uiteindelijk lukt het hem wel één querulant uit de staf te verwijderen om voor hem in de plaats twee jonge, vrouwelijke onderzoekers in dienst te nemen. Na vijf jaren loopgravenoorlog hou ik het in Glasgow voor gezien. Een waardige afsluiting is in juli 2002 de promotie van David Betz, één van mijn promovendi.


2002-2005: spijtoptant
Bij vertrek uit Nederland had ik bij de Leidse universiteit geen ’terugkeerregeling’ bedongen; ik had eenvoudig ontslag genomen. Het was daarom moeilijk weer aan de slag te komen. De Sovjetunie bestond niet meer en geen van de universiteiten had nog trek in een Ruslandkundige. Ik was er bij vertrek in geslaagd bij de Universiteit van Glasgow een flink bedrag los te peuteren voor een outplacementbureau in Maarsbergen, maar dat bureau deed vooral heel sjiek en leverde geen baan. Op eigen kracht vond ik part-time werk als ‘hoofdcommunicator’ van de Universiteit voor Humanistiek (UvH) in Utrecht, de kleinste (en gezelligste) universiteit in het land. Gedurende drie jaren leidde ik het Bureau In- en Externe Betrekkingen en gaf ondermeer leiding aan de introductie van een nieuwe huisstijl. Bij de opening van het academisch jaar en bij de dies natalis van de universiteit slikte ik manmoedig mijn trots in en fungeerde als quasi-pedel.
Een half jaar na mijn indiensttreding bij de UvH wist ik de directie van Instituut Clingendael in Den Haag te interesseren in een dienstverband. Ik had vóór vertrek naar Schotland vaak op Clingendael gastcolleges verzorgd. Nu organiseerde ik vier internationale conferenties; gaf les aan Oosteuropese en Nederlandse cursisten; en schreef een aantal wetenschappelijke publicaties. Voor de Nederlandse regering nam ik deel aan OVSE-waarnemingsmissies bij verkiezingen in Rusland, Oekraine, Moldova en Azerbaijan.
Mijn verbintenis met het instituut was echter van korte duur. Op het moment in 2004 dat het contract zou worden verlengd, bleek Clingendael in grote financiële problemen te verkeren, voor de directie reden om van verlenging af te zien.


2006 – 2012: geheim
De laatste zeven jaren van mijn loopbaan werkte ik als Senior Analist bij een onderdeel van de Rijksoverheid waarvan niet het bestaan geheim is, ook niet de naam van de directeur, maar wel de namen van de medewerkers. Ik was nauw betrokken bij de oprichting van een team op mijn eigen vakgebied en was er getuige van hoe vindingrijke collega’s er in de loop der jaren in slaagden geheime bronnen aan te boren (of uit de lucht te plukken) die voor onze regering belangrijke informatie opleverden. Bij mijn aantreden in december 2005 beschikten wij uitsluitend over ‘open bronnen’, bij mijn pensionering haalde het team inlichtingen binnen waar bevriende buitenlandse diensten jaloers op waren. Als senior analist was het mijn taak nieuwe, geheime informatie in voor ‘Den Haag’ begrijpelijke taal te formuleren, van context en van urgentie te voorzien en op de kantoren van medewerkers van Buitenlandse en Algemene Zaken toe te lichten.
Zie ook Bibliography 1971-2007
Vrijwilligerswerk
Ik was in 1963-64 één van de oprichters van de jongerenafdeling Almelo van de Europese Beweging en tijdens mijn studie redacteur van Discorsi, het blad van politicologiestudenten aan de Universiteit van Amsterdam. In de jaren 2003-2005 was ik lid van het stichtingsbestuur van ‘En nu iets positiefs!’ dat zich in Amsterdam inzette voor Marokkaanse jongens, en 2012-2020 bestuurslid en secretaris van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie. In de jaren 2016-2021 was ik als vrijwilliger verbonden aan het Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam.









