Een woordenboek omschrijft het begrip zo: ‘Iemand met wie men op voet van oorlog leeft’. Voorbeeld: ‘In de oorlog waren de Duitsers onze vijand’. Onthou dat even.
Het was een armzalig bundeltje Joden dat had overleefd. Voorjaar 1945, de havelozen kwamen uit verschillende windrichtingen. Een enkeling kwam terug uit ‘het Oosten’, de vernietigings- en concentratiekampen (5.200 van de 107.000 of 4,8%). Een handjevol (900, onder hen mijn oom Werner Löwenhardt) werd in doorgangskamp Westerbork bevrijd. Circa 16.000 ‘doken op’ vanuit hun schuilplaatsen in eigen land. Zo ook mijn latere ouders Heinz Löwenhardt en Mimi de Leeuw, die in Almelo door textielarbeider-anarchist Anne Ottema en zijn dochter waren verstopt en beschermd. En tenslotte waren er de gemengd-gehuwden, ‘erkende halfjoden’ en nog wat restgroepen (ca. 17.000).1
In ieder van deze groepen bevonden zich Joden die voor 1940 vanuit Duitsland en Oostenrijk naar ons land waren gevlucht. In 1941, het jaar voorafgaand aan de massa-deportaties, waren er ruim 15.000 Duitse Joden in bezet Nederland. Onder hen mijn grootvader Adolf Löwenhardt en zijn twee zonen, gevlucht uit Dortmund-Lindenhorst. Vanaf dat jaar waren ze officieel staatloos.2 Ook van deze 15.000 was er vier jaar later nog maar een heel klein deel in leven. Adolf en zijn in Denekamp geboren vrouw Julia Löwenhardt-ten Brink werden in april 1943 vanuit Westerbork gedeporteerd en op 11 oktober 1944 in Auschwitz vermoord. Oom Werner en mijn vader Heinz overleefden.
Je zou denken dat de Nederlandse staat en samenleving de overlevenden na de bevrijding zouden hebben omarmd. Niets was minder waar. Nederlandse Joden die terugkeerden of opdoken werden kil, vaak vijandig onthaald. Ze moesten bijna altijd een hard gevecht aangaan om hun woning, huisraad en rechten terug te krijgen.3 Duits-Joodse vluchtelingen hadden het extra zwaar.
Bij de bevrijding bleven zij staatloos. Vergeleken bij de Nederlandse Joden waren de rechten van deze vluchtelingen beperkt. Grondwettelijk genoten zij ‘gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen’, maar daar hield het mee op.4 Het Koninkrijk der Nederlanden behandelde hen vanaf het moment van de bevrijding als vijanden. Vijanden. Jawel, je leest het goed. Ternauwernood de slachting overleefd, familie vermoord, beroofd van eigendommen en uiteindelijk door de Canadezen bevrijd. Voor de Staat der Nederlanden waren zij vijanden. De ‘gelijke bescherming van goederen’ moest maar met een korreltje zout worden genomen.
Dat zat zo. Op 20 oktober 1944 vaardigde de Nederlandse regering in ballingschap het Besluit Vijandelijk Vermogen uit. Dat besluit bepaalde dat alle Duitsers in ons land op het moment van de bevrijding als vijand zouden worden aangemerkt, zodat (vanzelfsprekend, in andere bewoordingen) de staat hen kaal zou kunnen plukken. Van de ene dag op de andere verloren zij het beheer over hun eigendommen. Zij moesten zich onderwerpen aan een vernederend proces van ‘ontvijanding’. Ook, bijvoorbeeld, de Duitse weduwe die in Nederland volledig was geïntegreerd.5 Gevluchte Duitse en Oostenrijkse Joden werden over één kam geschoren met alle andere Duitsers die in april 1945 in Nederland woonden.
Ook Nederlandse NSB-ers, Nederlandse leden van de SS en andere landverraders werden behandeld als vijand en op basis van het Besluit Vijandelijk Vermogen onteigend. Maar er was een verschil: in hun geval was de onteigening tijdelijk. Nadat ze hun straf hadden uitgezeten, kregen zij hun eigendommen terug. Wanneer het ging om onteigening van ‘Rijksduitsers’ (inclusief gevluchte Joden), eindigde de onteigening in liquidatie, dat wil zeggen het inpikken van de waarde door de Staat der Nederlanden. Het was simpelweg het afdwingen van herstelbetalingen, niet van de naoorlogse Duitse overheid, maar van Duitsers of voormalige Duitsers die in Nederland woonden. Zo wist de staat ruim 750 miljoen gulden te incasseren.6.
Een nieuw begin


Ik kijk naar de pasfoto’s van mijn ouders die zijn gemaakt vlak nadat zij begin april 1945 opdoken.7 En ik leg ze naast hun verlovingsfoto uit mei 1938. Vergeleken met zeven jaar eerder zien zij er dof, teneergeslagen en vermagerd uit. Ze zijn ook letterlijk teneer geslagen, mentaal uitgeput. Zij weten ondertussen dat hun beider ouders en Mimi’s oudere broer Johan weg zijn, zij zullen het ergste vermoeden. En dat vermoeden bleek juist. Zij hebben alleen nog elkaar. Dat Mimi verloofd is met een Vijand van Nederland, dat beseffen zij waarschijnlijk op dit moment nog niet.
Hun hoofd staat naar trouwen en naar het heropenen van hun winkel. Heinz was in 1936, het jaar na zijn vlucht, met Mimi’s oom Iwan de Leeuw slagerij ‘De Concurrent’ begonnen. De winkel was gevestigd in het pand van Mimi’s grootvader Izaäk de Leeuw Azn. (1862-1941) in de Holtjesstraat, op loopafstand van de slagerij van Mimi’s ouders en broer Johan in de Schuttenstraat.
Beide slagerijen waren in 1941 op last van de bezetter gesloten. Al twee maanden na de bevrijding heropenen Iwan en Heinz ‘De Concurrent’. Mimi’s ouders en broer zijn op 31 oktober 1944 bij Vierhouten vermoord en in november 1945 in Almelo begraven. Rond deze tijd besluiten Heinz en Mimi de slagerij voort te zetten in het (gehuurde) pand van Mimi’s ouders.
Drie maanden eerder is in Den Haag het Nederlands Beheersinstituut (NBI) opgericht dat onder meer tot taak heeft de ‘Moffen’ kaal te plukken. Het NBI krijgt vertegenwoordigingen in het hele land. Heinz en Mimi krijgen in de tweede helft van 1945 te horen dat een huwelijk met een staatloze vijand een probleem is. Zij vragen het NBI afdeling Almelo toestemming om te trouwen. Zowel de Politieke Recherchedienst van de politie (12 oktober 1945) als twee Almelose burgers verklaren dat Löwenhardt “politiek volkomen betrouwbaar” is en “zich tijdens de bezetting goed gedragen heeft, voor zoover hem dat door zijn onderduiken mogelijk was”.
Op 4 januari 1946 ondertekent V.d.Berge, vertegenwoordiger van het NBI in district Almelo, een officiële verklaring, luidende dat Heinz Löwenhardt “niet als vijandelijk onderdaan dient te worden beschouwd” en dat het NBI geen bezwaar heeft tegen zijn huwelijk.
Dossier gesloten, zou je denken. En dat hebben Heinz en Mimi vermoedelijk ook gedacht. Een kleine vijf maanden later trouwen zij. In augustus 1947 komt hun eerste kind ter wereld, de zoon die deze woorden schrijft.
Desillusie
De Schade Enquête Commissie (SEC) gooit roet in het eten. Bij deze overheidsinstelling kon men vergoeding van materiële oorlogsschade claimen. Men – maar vijanden natuurlijk niet. Heinz claimt in 1948 schade bij de SEC, maar komt van een koude kermis thuis. Op 23 februari van dat jaar stuurt hij een handgeschreven briefje aan het NBI met de mededeling dat de commissie hem heeft laten weten de oorlogsschade niet uit te betalen zolang hij geen ‘no-enemy verklaring’ kan overleggen. “Aangezien ik reeds eerder een dergelijke verklaring van het Beheersinstituut heb ontvangen, verzoek ik u beleefd mij een verklaring te willen toezenden.” Hij voegt de verklaring van de afdeling Almelo van januari 1946 bij de brief.
Het NBI Twente had hem in diezelfde maand (25 januari 1946) aangesteld als beheerder van het vermogen van zijn ouders.8 Noch Heinz, noch het NBI had overigens enig idee van de hoogte van dat vermogen. Het werd in interne stukken aangeduid met de afkorting P.M.,pro memorie. Acht maanden later meldt Heinz aan het NBI dat er een eigendom in Dortmund is, en dat hij dat heeft opgegeven aan het Consulaat-Generaal voor de Nederlandse Economische Belangen in Duitsland, maar dat hij nog geen nadere gegevens heeft ontvangen.
Het NBI deelt hem op 5 oktober 1948 mee dat hij per 15 oktober van het beheer over het vermogen van zijn ouders wordt ontheven, in lijn met het gewijzigde beleid. Het NBI neemt het beheer over. Het vraagt hem vóór die datum een eindverslag te sturen, alsmede “een rekening en verantwoording… alles in 3-voud” en alle bescheiden die op het beheer betrekking hebben. Maar Heinz heeft helemaal niets. Hij heeft wel andere zorgen aan zijn hoofd.
Sinterklaas
Heinz’ briefje van 23 februari 1948 valt in handen van ambtenaar Janssen op het hoofdkantoor in Den Haag. Meneer Janssen kent geen genade. Dit schrijft hij in de kantlijn:

“Deze verklaring door mij ingenomen 25.2.48 en vastgehouden. De vroegere vert. Almelo speelde zeker voor St. Nicolaas! Waar hebben wij dan ons Hoofdkantoor voor?”
Het lijdt geen twijfel dat ambtenaar Janssen mijn vader heeft laten weten dat hij er niet aan ontkomt de ontvijandingsprocedure nu echt te doorlopen. Het document van 4 januari 1946 kan niet als ‘no-enemy verklaring’ tellen, ook al staan daarin de woorden dat hij “niet als vijandelijk onderdaan dient te worden beschouwd”.
In mei 1948 vraagt Heinz naturalisatie aan. Een maand later, op 6 juni, stuurt hij het NBI zijn aanvraagformulier voor een ‘No-enemy verklaring’ nadat hij aan de Staat der Nederlanden per postwissel de geëiste vijftig gulden heeft betaald. De begeleidende, handgeschreven brief eindigt hij met zijn hoop “op een spoedige afwikkeling”.
Leverworst en pekelvlees
Begin augustus 1963 ontvangt Heinz de zoveelste brief van het NBI. Als gevolg van het Financieel Verdrag tussen Nederland en de Bondsrepubliek, schrijft waarnemend NBI-directeur Van Dijk, zal Nederland Duitse hypotheken en leningen “op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen niet (langer) opeisen.” Dit betekent “dat wij geen betaling meer zullen vorderen van de door u aangemelde vordering(en).” Einde verhaal. In de vijftien (15) aan deze brief voorafgaande jaren hebben ambtenaar Janssen en zijn Haagse maatjes hem uitentreuren gesard en getreiterd.
Heinz Löwenhardt is een hardwerkende middenstander die samen met zijn vrouw Mimi een schamel inkomen bijeen schraapt. Onsjes leverworst of pekelvlees, een paar varkenspootjes (of -oren), een pond klapstuk (stoofvlees), twee biefstukjes van een ons ieder, het levert hen een winstmarge op die in centen en stuivers is uit te drukken. De weekomzet wordt iedere zaterdagavond op de grote eettafel geteld, in onze woonkeuken achter de slagerij. Na de ‘grote afwas’ (van alle schalen en borden uit de slagerij, messen, onderdelen van de gehaktmolens) en het schrobben van de slagerijvloer, sorteert vader de inhoud van de kassa. Ondertussen stort de ‘draadomroep’ (distributieradio) een gevarieerd zaterdagavondprogramma over ons uit. Vader sorteert de bruine centen op een berg, twee torens bruine stuivers, een bergje blanke dubbeltjes, torens kwartjes en guldens. Ik mag helpen. [Lees verder onder de illustratie]

Breed hadden we het niet. Maar het voordeel van een slagerij is dat er voor het gezin altijd vlees beschikbaar is. Heinz werkt zes dagen in de week van ‘s ochtends vroeg tot in de avond. Veel ‘vrije tijd’ heeft hij niet. En de tijd die er is, moet hij noodgedwongen besteden aan een wirwar aan procedures voor compensatie en herstel van allerhande oorlogsschades van hemzelf, zijn vermoorde ouders en talloze aangetrouwde familieleden die ‘niet zijn teruggekomen’. Hij moet formulieren invullen en brieven beantwoorden voor zijn naturalisatie, voor het Nationaal Beheers Instituut; de Schade Enquête Commissie; voor de Stichting Jokos, Bureau Huisraadschade; de Stichting Sieraden-Comité en ga zo maar door.
Erfenis
Ik heb besloten het uitgebreide dossier over deze jaren (89 documenten) niet en détail te beschrijven. Ik zal proberen de grote lijnen te analyseren en zal en passant een enkel treurniswekkend dieptepunt documenteren. Vooropgesteld is dat het ging om de ontvijanding van de erven-Löwenhardt, mijn vader en zijn jongere broer Werner (1919-2006). Maar ik beschik uitsluitend over de ontvijanding dossiers van Heinz en zijn vader Adolf, niet over dat van Werner.
De ‘no-enemy verklaring’ heeft Heinz toch nog snel gekregen. Op 4 november 1948 verklaart de directie van het NBI in een officieel stuk dat Heinz en zijn vrouw Mimi “niet langer vijandelijke onderdanen zijn in de zin van het Besluit Vijandelijk Vermogen”.9 Maar daarmee is de kous niet af. Heinz Löwenhardt krijgt in december 1952 het Nederlanderschap (nou ja, gekregen… hij moest er 200 gulden voor betalen, een flink bedrag gezien zijn schamele inkomen in 1948) en heeft zich dus nog elf jaar als Nederlands staatsburger de chicanes van het NBI moeten laten welgevallen.
Het ‘eigendom in Dortmund’ dat Heinz in oktober 1948 aan het NBI heeft gemeld, is waar het Instituut op aast. Mijn grootvader Adolf Löwenhardt blijkt in 1927 van een zekere Wilhelm Backhaus in Dortmund-Lindenhorst een pand te hebben gekocht aan de Bergstraße 23. Waarom? Waartoe? Dat is en blijft een raadsel.
Mijn grootouders dreven hun slagerij aan de Lindenhorster Straße 235 in een pand dat eigendom was van hun buren, een oom van mijn grootmoeder Julia Löwenhardt-ten Brink.10 Met de slagerij bedienden zij grotendeels de gezinnen van Poolse en Tsjechische gastarbeiders die in de plaatselijke kolenmijnen werkten. Het pand Bergstraße 23 lag op een afstand van één kilometer.
Naar pas later in de eindeloze ontvijandingsprocedure blijkt, rustten er op het pand Bergstraße 23 niet minder dan vier hypotheken. Het is dus voor mijn grootvader zeker geen beleggingsobject geweest. In 1938, twee jaar nadat het gezin-Löwenhardt naar Nederland was gevlucht, claimde dezelfde Backhaus in het kader van de arisering, bij de Nazi’s het pand terug. Weer drie jaren later was het nog steeds eigendom van Adolf Löwenhardt, die ondertussen aan de Berkenkamp in Enschede woonde. Een invalide bewoner van het pand was aangesteld als beheerder en inde de huur die hij afdroeg aan de Gewerbebank Dortmund. Een SA-man probeert het dan in handen te krijgen door nog eens bij de partij instanties aan te dringen op arisering, maar het lijkt erop dat ook dat niet is gelukt. In of na 1945 heeft een Duitse overheid beslag op het pand gelegd; het komt in beheer bij het Zentralamt für Vermögensverwaltung in Bad Nenndorf. Pas in het late najaar van 1950 krijgen de erven-Löwenhardt het pand officieel in eigendom. Zij geven het beheer in handen van de Joodse Gemeente van Dortmund. Het pand zelf blijkt zwaar beschadigd.
De grootste hypothecaire lening blijkt mijn grootvader te hebben afgesloten bij verkoper Wilhelm Backhaus. Het NBI schrijft op 11 november 1953 dat de eigendom van de hypothecaire schuldvordering van zijn weduwe op de erven Löwenhardt per 1 april 1945 op de Staat der Nederlanden is overgegaan. De schuld bedraagt volgens het NBI per 1 november 1953 fl. 41.787,12 (nu zo’n € 194.000) met een maandelijkse rente van fl. 113,04. De erfgenamen-Löwenhardt krijgen van het NBI geen toestemming om rente en aflossing aan de ‘voormalige creditrice’ te betalen en het Instituut verklaart afstand te zullen doen van de hypotheekrechten indien de erfgenamen het totaalbedrag betalen.
Voor Heinz en Werner is de maat vol. Zij zien zich genoodzaakt een advocaat in de arm te nemen. Met de brief van 11 november in de hand, bezoeken zij Mr. Dr. E. W Catz aan de De Lairessestraat in Amsterdam. Catz schrijft het NBI op 31 december dat met de vordering “geen enkele positieve oplossing te bereiken (is)” omdat de erven het geld eenvoudig niet hebben. Hij komt op eigen gezag (zonder opdracht van de erven) met het voorstel dat het NBI de verkoop van het pand in Dortmund “in welwillende overweging zoudt willen nemen”. Om zijn voorstel kracht bij te zetten stelt hij voor het NBI “ter inzage enige scherpe fotos” te sturen “die een juist beeld geven van de huidige toestand van het perceel”.
Wat volgt is een onnavolgbaar juridisch steekspel tussen Mr. Cats en het NBI. Het leidt er niet toe dat het NBI zijn vordering intrekt.
Op 11 februari 1956 verzoekt het NBI de erven Löwenhardt per aangetekende brief om de kapitaalsom plus 4,5% rente sinds 5 april 1945 van de hypotheek-Backhaus aan het Instituut over te maken. Het gaat om een bedrag van 44.382 gulden. Drie maanden later doet het NBI er nog een schepje bovenop. Het meldt te hebben ontdekt dat er bij het in werking treden van het Besluit Vijandelijk Vermogen naast de schuld aan de weduwe Backhaus-Buschmann (RM 40.000) ook schulden van mijn grootvader waren aan de Gewerbebank Dortmund en de Bank für Handel und Gewerbe in Hörde (samen GM 14.000); aan ene Gussmann in Dortmund (RM 418,79) en de Landesbank für Westfalen (een Hauszinssteuerabgeltungsdarlehn, u leest het goed). Het NBI wil de rentepercentages van die leningen weten. Weet mijn vader veel? Hij reageert niet. Een jaar later schrijft het NBI dat het Instituut tot ‘opvordering’ over zal gaan als er niet binnen één maand een reactie komt.
Wat is hier aan de hand?
De Staat der Nederlanden heeft de vordering overgenomen van een Duitse weduwe, woonachtig in Dortmund, op mijn door de Duitsers vermoorde grootvader. Hij zet nu een van oorsprong Duitse Jood (mijn vader) die al ruim drie jaar het Nederlanderschap bezit, onder druk om een bedrag te betalen waarvan deze alleen maar kan dromen. En de Staat der Nederlanden doet dit ruim vier-en-half jaar nadat de staat van oorlog tussen Nederland en Duitsland is beëindigd. In de zomer van 1951 zijn Duitsers in Nederland collectief ‘ontvijand’, maar indien op hun eigendommen beslag was gelegd, werd dit niet automatisch teruggedraaid.11
En dus probeerde het NBI het een half jaar later nog maar eens: wie weet waren de erven-Löwenhardt zo gek om 44.382 gulden bijeen te schrapen en over te maken naar het ministerie van Financiën.
Tot slot
Op 12 oktober 1948 stuurt Heinz een handgeschreven brief aan het NBI. Hij schrijft “dat het mij vreemd voorkomt door U als ‘Rijksdeutser’ beschouwd te worden want sinds 25 Nov. 1941 ben ik reeds statenloos.
Van 19 Augustus 1942 tot de Bevrijding heb ik mij voor de ‘Rijksdeutsers’ moeten verstoppen. In mei 1946 ben ik met een Nederlandse Vrouw getrouwd en ook toen als Statenloos ingeschreven en m’n vrouw is Nederlandse gebleven.
Wenst u nog meer inlichtingen, zo is de Almelosche Vreemdelingendienst gaarne bereid uw vragen te beantwoorden…”
De volledige brief is hier te lezen.
Bij de brief valt om te beginnen op te merken dat mijn vader haast onberispelijk Nederlands schreef, drie jaar na de bevrijding en vier jaar voor hem het Nederlanderschap werd verleend. De brief illustreert bovendien één van de conclusies van dit onderzoek.
Bij alle getreiter vanuit Den Haag wist Heinz zich gesteund door het plaatselijk gezag. Hij behoorde tot het kleine aantal Almelose Joden dat had overleefd en dat tegenover de burgerlijke gemeente werd vertegenwoordigd door de bekwame en aimabele voorzitter Abraham Gottschalk. De gemeente en de politie kenden Heinz Löwenhardt, die immers sinds 1936 economisch actief was. Hij had bovendien een goede relatie met burgemeester Jan Ravesloot (CHU; 1907-1985), benoemd op 1 januari 1946. De documenten maken duidelijk dat de gemeente Almelo Heinz steunde; het is niet ondenkbaar (of is dat wensdenken?) dat hem werd aangeraden zich niet te veel aan te trekken van de geldzuchtige bureaucratie in Den Haag.
Mijn tweede conclusie is dat de ontvijandingsprocedure de speelbal was van snel veranderende juridische en volkenrechtelijke veranderingen, in én tussen Nederland en Duitsland. Zij die de sof hadden deze procedure te moeten ondergaan, hadden geen beeld van die veranderingen en van de impact ervan op hun juridische positie en op de verwachtingen die zij mochten koesteren. Zij streden een ongelijke strijd tegen de juridische expertise in de top van het Nederlands Beheersinstituut.
Een derde en laatste conclusie moet zijn dat het NBI niet de minste moeite deed om het beleid aan de ‘Joodse vijanden’ uit te leggen. Zij moesten het maar slikken. De houding van koningin Wilhelmina en haar regering, die iedere voorkeursbehandeling van de (Joodse) slachtoffers van de Naziterreur resoluut afwees, kan ik nog begrijpen… maar is moeilijk te billijken. Duits-Joodse slachtoffers die hadden overleefd, werden dubbel gepakt en kregen daar nog eens een ontvijandingsprocedure overheen. De regering had op z’n minst de moeite kunnen nemen uit te leggen waar dat nou voor nodig was.
Tot de publiciteit rond de promotie van Marieke Oprel in 2020 had ik niet van ‘ontvijanding’ en ‘no-enemy verklaring’ in Nederland gehoord. Toen ik kennis nam van deze geschiedenis ging er wel een klein lichtje flakkeren: er was in mijn jeugd tussen mijn ouders veel opgewonden gedoe geweest rond een ‘huis in Dortmund’. Ik kreeg de gedigitaliseerde dossiers van het Nationaal Archief. Een eerste globale lezing van de twee dossiers (zelfs mijn grootvader, die negen dagen voor het Besluit Vijandelijk Vermogen was vermoord, was tot vijand verklaard) zorgde voor een acute onpasselijkheid en het besluit mijn humeur niet te laten bederven door in deze trieste, kafkaëske affaire te duiken. Het heeft even geduurd tot ik de moed bijeen raapte om erover te schrijven.
Heinz Löwenhardt overleed in juli 1989, 75 jaar oud. Ik heb hem nooit met één woord horen klagen over de Staat der Nederlanden of de Haagse bureaucratie.
Reageren? Mail naar John@LoewenhardtFoundation.org
Bronnen
ARA, NBI Beheer Dossiers, Inv. 120722 (Adolf Löwenhardt) en 120723 (Heinz Löwenhardt), Nationaal Archief
Marieke Oprel, The Burden of Nationality: Dutch citizenship policies towards German nationals in the aftermath of the Second World War (1944-1967). Proefschrift, Vrije Universiteit Amsterdam. VU University Press 2020.
Bert Hinnen, De vergeten Duitser. Het levensverhaal van Richard Bauer. BoekenGilde 2020.
Marieke Oprel, Afrekenen met de vijand. Het naoorlogse beleid ten aanzien van Duitsers in Nederland. Amsterdam, Van Oorschot, 2021.
Dorine Winkels, Minna, mijn Duitse grootmoeder. Amsterdam 2022.
Noten
Aangevuld en geredigeerd op 13 december 2025 en 17 januari 2026.
Ik dank Wim Brummelman, Myriam Daru, Bert Hinnen en Paul de Jager voor hun steun en kritisch commentaar op een eerdere versie. Het heeft mij voor een paar uitglijders behoed.
- Het totale aantal wordt geschat op 36.000. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog deel 12, pag. 54-55. [↩]
- De Elfte Verordnung zum Reichsbürgergesetz ontnam in 1941 Joden die buiten Duitsland woonden het Duitse staatsburgerschap. Marieke Oprel,Afrekenen met de vijand, blz. 164 [↩]
- Lees hierover Isaac Lipschits, De kleine Sjoa. Joden in naoorlogs Nederland. Amsterdam, Mets & Schilt, 2001. [↩]
- Grondwet 1938, artikel 4. [↩]
- Zie het verhaal van de Amstelveense Minna Franz-Dippe in Dorine Winkels, Minna, mijn Duitse grootmoeder. Amsterdam 2022, en Oprel, blz. 52-64. Lees ook het verhaal van Bert Hinnen over zijn oom Richard Bauer, in De vergeten Duitser. BoekenGilde 2020; en dat van de Joodse Ruth Weil-Reich en haar zoon Jack in het hoofdstuk ‘Ongekend onrecht’, Oprel, blz. 161-171. [↩]
- Oprel dissertatie blz. 36-38. [↩]
- Lees hier hun onderduikverhaal. [↩]
- De overlijdensverklaring van Adolf en Julia Löwenhardt is pas op 5 augustus 1950 ingeschreven in de burgerlijke stand van Enschede. [↩]
- Merkwaardig: Mimi Löwenhardt-de Leeuw was nooit vijand geweest. [↩]
- Lees over het lot van mijn grootouders Löwenhardt na hun vlucht uit Dortmund, de Brief aan George. [↩]
- Oprel dissertatie blz. 99. [↩]

