Vlucht en deportatie van mijn grootouders Löwenhardt
In maart 2011 kreeg ik via internet bericht van een zekere George Lowe uit Johannesburg, 87 jaren eerder in Dortmund geboren als Hans-Georg Löwenhardt. Zijn vader Siegmund bleek een jongere broer van mijn grootvader Adolf Löwenhardt. George (overleden in 2016) was een van de weinige Löwenhardts in leven die mijn grootouders had gekend alvorens zijn ouders hem in 1939 op een ‘Kindertransport’ naar Londen hadden gezet. In de tussenliggende 72 jaar had George geen contact gehad met zijn familieleden Löwenhardt uit Dortmund, of nazaten van hen. Voor George schreef ik in 2012 (in het Engels, hier vertaald) dit verhaal over wat er met Adolf en Julia gebeurde nadat ze in de zomer van 1936 zijn geboortestad waren ontvlucht…
Beste George,
Dit is het verhaal van jouw tante Julia – Julchen voor jou – en oom Adolf Löwenhardt uit Dortmund-Lindenhorst. Ze zijn uit Duitsland gevlucht, maar helaas niet aan hun vreselijke lot ontsnapt. Bijna drie jaar eerder, in maart 1939, stapten jij en je broer op de trein naar Engeland. Jullie waren net op tijd.
Een essentieel onderdeel van Jiddishkeit is het vertellen van verhalen aan je kinderen, verhalen over de Joodse geschiedenis en over je eigen mishpokhe, en ook die van hen. Ik heb vier dochters en heb tot voor kort betreurd dat ik dat nooit heb kunnen doen. Maar nu kan ik dat wel, en niet alleen aan mijn dochters en kleinkinderen, maar in de eerste plaats aan jou, het enige nog levende familielid die mijn grootouders heeft gekend en die kan vertellen over hun leven in de jaren voor de ramp. Als kind was je dol op mijn grootmoeder, zo schreef je, en ik benijd je. Ik heb haar nooit gekend – ik ben drie jaar na haar vroegtijdige dood geboren – maar heb haar altijd gemist. Of moet ik zeggen: en heb haar altijd gemist? Ik ben opgegroeid in een gezin met getraumatiseerde ouders die vrijwel al hun familieleden hadden verloren. Je weet nog wel dat Julia en Adolf twee zonen hadden, Heinz (1913) en Werner (1919). Hun geboortedata lagen ongewoon ver uit elkaar en je begrijpt wel waarom: de Eerste Wereldoorlog kwam ertussen. Hun vader diende als hospik in het Duitse leger.
Heinz, mijn vader, overleefde dankzij goede mensen in Almelo, Nederland. Zij boden zijn verloofde Mimi en hem een schuilplaats. Werner werd gered door zijn talent voor tekenen en wist uit de buurt te blijven van de deportatietreinen in het doorgangskamp Westerbork. Hij was een van de weinigen die getuige was van de bevrijding van het kamp in april 1945.
Dortmund, jaren 1930

Je herinnert je misschien nog wel de jodenvervolging en boycot van Joodse winkels die begon rond de tijd van je negende verjaardag, in maart 1933. Hierdoor werden Adolf en Julia gedwongen hun slagerij aan de Lindenhorster Straße 235 tegen een ‘gereduceerde prijs’ te verkopen aan de ‘Ariër’ Edmund Rheker. Hun buren Hermann en Lina Kleeblatt (Hermann was een oom van Julchen) werden ook gedwongen hun kruidenierswinkel te verkopen. De verkoop van de slagerij vond plaats al op 14 augustus van dat jaar, en Adolf en Julia moesten verhuizen naar Steinplatz 3 in het centrum van Dortmund. Vanaf april 1934 woonden ze aan de Nordstraße 61 en het is goed mogelijk dat je hen daar hebt bezocht. Adolf maakte het beste van een ellendig baantje als ‘vleesdistributeur’ in het slachthuis van de stad. Toestemming daarvoor had hij met grote moeite gekregen dankzij zijn verleden als frontsoldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog. Adolf Löwenhardt was, zo werd gezegd, ‘de laatste jood in het slachthuis’, maar hij reed nog steeds in zijn enorme auto, genaamd de Wanderer. Alles werd in het werk gesteld om de joden in Duitsland te intimideren en te vernederen. Maar mijn grootvader was een trotse man.
Zijn oudste zoon Heinz was in april 1932 geslaagd voor het slagersleerlingenexamen in Dortmund. Maar in de bittere zomer van 1933 was overduidelijk dat hij zijn vader niet zou kunnen opvolgen in de slagerij. In die jaren pendelde Heinz heen en weer tussen Dortmund en Twente, een regio in het oosten van Nederland. Daar kwam zijn moeder Julia vandaan, daar (in Denekamp) woonden zijn grootouders. Nadat hij in april 1935 opnieuw in Dortmund zijn Meisterprüfung (vakdiploma) als slager had gehaald, vertrok hij voorgoed naar Nederland. Althans: voorlopig voorgoed. Niemand had nog enig idee van hoe lang de Nazi’s het zouden volhouden en hoeveel schade zij zouden aanrichten.
Rond die tijd ontmoette Heinz in Almelo de dochter van de Joodse slager Arnold de Leeuw. Hij kreeg werk in zijn slagerij. Werner vertrok kort daarna en tegen het einde van 1935 waren beide zonen, 22 en 16 jaar oud, het land ontvlucht. In het Duitsland van Hitler was er geen toekomst voor hen; misschien was die er wel in Nederland.
Dortmund – Twente rond de eeuwwisseling
Julia ten Brink, hun moeder, was geboren in een familie van Joodse veehandelaren en slagers in Denekamp, een paar kilometer van de Nederlands-Duitse grens. Denekamp was een welvarend agrarisch stadje. Toen Julia op 20 mei 1890 werd geboren, telde het ongeveer 3900 inwoners en had de kleine Joodse gemeenschap een eigen synagoge, ingewijd in 1845. Hier groeide Juulke, zoals ze toen werd genoemd, op met drie jongere zusjes en twee jongere broertjes. Hun vader Isaäk combineerde een tijdlang drie beroepen: veehandelaar, caféhouder en slager. Ze hadden een mooi huis (op de foto: tussen de bomen rechts en de paardenkar) met slagerij en slachthuis aan het Brinkplein. Vandaar de achternaam ‘ten Brink’: ‘aan het Brink’ (dorpsplein). Halverwege de jaren dertig telde Denekamp maar liefst vier Joodse slagers.
Juulkes moeder was geboren als Kleeblatt in Lütgeneder, Duitsland, en was net naar Denekamp verhuisd toen Julia werd geboren. Op 4 augustus 1908, slechts twee weken nadat Julia 18 was geworden, stuurde Hannchen ten Brink-Kleeblatt haar oudste dochter naar haar broer Hermann Kleeblatt in Dortmund, waar ze vermoedelijk als dienstmeisje zou gaan werken. Ik heb nog niet kunnen achterhalen wanneer en waar ze haar latere echtgenoot Adolf Löwenhardt heeft ontmoet, maar de kans is groot dat dit via Hermann Kleeblatt en zijn vrouw Lina was, die een kruidenierswinkel hadden aan het eindpunt van tramlijn 7 in Dortmund-Lindenhorst.
Uit documenten blijkt dat Julia in de zomer van 1912, vijf maanden nadat Adolf Löwenhardt zijn Meisterbrief voor slager had behaald, zich voor een periode van vijf weken bij het gemeentehuis van Denekamp had ingeschreven, voordat ze terugkeerde naar Dortmund. Ik heb nog geen documenten gevonden waaruit blijkt dat ze zijn getrouwd, maar het lijkt waarschijnlijk dat dit tijdens deze zomerweken heeft plaatsgevonden. Een 83-jarige dame die de familie Ten Brink goed heeft gekend, vertelt me dat ze er geen twijfel over heeft dat het een Joodse bruiloft was.
Twee weken voor de eerste verjaardag van haar zoon Heinz werd Julchens man Adolf gemobiliseerd voor wat de Eerste Wereldoorlog zou worden. Terwijl hij in Frankrijk aan het Duitse front diende, zorgde Julia voor hun winkel en hun zoon. Helaas heb ik geen bronnen over deze periode, behalve één ansichtkaart, die op 8 maart 1915 door de Feldpost vanuit Dortmund werd verstuurd naar ‘Wehrmann Löwenhardt’ in het 1e bataljon, 38e regiment, ‘op dit moment in Frankrijk’. Op de afbeelding staat één van Julchens jongere zussen, Zelma, geboren in februari 1896. Ze was kennelijk op bezoek bij haar zus en neefje en liet voor die gelegenheid een foto maken door een fotograaf in Dortmund, die ze naar haar zwager in militaire dienst stuurde met een ietwat ondeugend tekstje. Aan het einde staat ‘duizend groeten en kusjes van je vrouw Julchen’.
Zelma, een van de vier zusjes Ten Brink, zou een belangrijke rol gaan spelen in het leven van Julchen en Adolf toen zij uiteindelijk besloten Hitler-Duitsland te verlaten. In 1917, twee jaar na haar bezoek aan Dortmund, was Zelma getrouwd met Abraham de Leeuw (nog een Joodse slager in mijn familie: Abraham was een neef van mijn andere grootvader, Arnold de Leeuw). Ze vestigden zich in Enschede, een stad niet ver van Denekamp en Dortmund. Daar runden Abraham en Zelma een Joodse – maar niet koosjere – slagerij net buiten het stadscentrum. Hun klanten waren arbeidersgezinnen uit de vele textielfabrieken die Enschede in die tijd telde, waarvan er niet weinig eigendom waren van Joodse ‘textielbaronnen’. Een paar maanden geleden ontdekte ik tot mijn verbazing in het stadsarchief van Enschede dat de stad in 1940 elf Joodse slagerijen telde waarvan de eigenaar een De Leeuw was – vermoedelijk waren ze niet allemaal direct aan elkaar verwant.
Goor & Enschede, 1936 – 1942
Het huis van Abraham en Zelma werd de uitvalsbasis voor de Löwenhardts uit Dortmund. Daar verbleven mijn vader en ook Werner. Maar het was niet de eerste plek waar Adolf en Julia zich vestigden nadat ze in de zomer van 1936 Duitsland hadden verlaten. Ze vestigden zich eerst in een klein stadje genaamd Goor.
Samen met zijn zakenpartners Kahn en Stern, mede-Joodse vluchtelingen uit Duitsland, richtte Adolf de ‘Goorse Vet Industrie’ op. In november 1936 stemde de gemeenteraad ermee in om het bedrijf een stuk grond van 700 vierkante meter te verkopen voor 875 Nederlandse gulden. Hier, aan de Spechthorstweg, bouwden ze hun fabriek. De belangrijkste activiteit was het verwerken van runderbotten tot beendermeel. Helaas werd de GOVEI (GOorse VEt Industrie, Adolfs zoon Werner ontwierp het logo) – niet het gehoopte succes. Een gevestigd Nederlands bedrijf in beendermeel met de naam Meyer, eveneens Joods, zag de concurrentie van deze Duitse vluchtelingen niet zitten en dreef de prijs van verse botten op. Binnen drie maanden wist Meyer GOVEI van de markt te verdringen en gingen de partners failliet.
Adolf en Julia verhuisden in 1938 van Goor naar Enschede. Ongetwijfeld werden ze daarbij geholpen door Zelma en Abraham en door de goed georganiseerde Joodse gemeenschap in de stad, waarin de textielmagnaten een leidende rol speelden. Rond de tijd van de Duitse invasie (mei 1940) telde Enschede ongeveer 1400 Joden, van wie 70 procent de Nederlandse nationaliteit had. De overige 30 procent bestond voornamelijk uit vluchtelingen uit Duitsland. In april 1933 had de directeur van het grootste textielbedrijf, Sig (Sigmund) Menko, een comité voor Duitse (lees: Joodse) vluchtelingen opgericht. Waarschijnlijk met hulp van het comité konden Adolf en Julia een klein huis huren aan de Berkenkamp 20, op korte loopafstand van het huis van Zelma en Abraham. Het huis was eigendom van de Joodse bakker Woudstra, beroemd om zijn matzes. Voor zover ik weet, was Adolf tijdens deze jaren in Enschede werkloos. Hij werd vaak gezien terwijl hij kaartte met Abraham.
Arbeidskamp ’t Schut, augustus – oktober 1942
De Duitse bezetter hadden een duivels plan bedacht om de Joden te isoleren en vervolgens uit de Nederlandse bevolking te verwijderen en naar vernietigingskampen te sturen. De Duitsers voerden het plan perfect uit en zorgden ervoor dat niet-Joden hier geen last van hadden. De meeste Nederlanders deden niet méér dan hun schouders ophalen en wegkijken.
De eerste fase bestond uit een reeks willekeurige arrestaties in 1941 in Amsterdam, Twente en de Achterhoek. Deze hadden tot doel om de Joden te intimideren. Ook onze familie werd getroffen. Op 15 september werd Julia’s broer Julius, vader van twee dochters, de ene van 5 jaar, de andere slechts elf maanden oud, zonder enige reden opgepakt in Denekamp. Hij was een van de 105 jonge mannen in de regio Twente die naar het gevreesde kamp Mauthausen in Oostenrijk werden getransporteerd. Daar aangekomen werd hen verteld een kaartje naar huis te schrijven om te zeggen dat het goed met hen ging. Tegen de tijd dat deze kaarten aankwamen, waren zij al vermoord . Op 20 oktober kregen Julius’ vrouw en zijn familieleden in Denekamp bericht dat hij op 10 oktober in Mauthausen was ‘omgekomen’. Julia en Adolf, die toen in Enschede woonden, kregen dit vreselijke nieuws ongetwijfeld kort daarna te horen.1
De tweede fase was de concentratie van Joodse mannen in werkkampen. De officiële reden was om hen werk te verschaffen. Het verborgen doel was om hen te isoleren van hun vrouwen en kinderen. Er werden in het hele land in alle haast ongeveer veertig van dergelijke kampen gebouwd en de plaatselijke arbeidsbureaus gaven Joodse mannen opdracht zich bij één van deze de kampen te melden. Adolf en zijn zoon Werner ontvingen hun oproep in augustus 1942 en reisden naar Ede om daar in het werkkamp ’t Schut te worden opgesloten. De leefomstandigheden waren primitief, het eten was slecht en ze moesten zwaar grondwerk verrichten. Julia bleef achter in Enschede.
In dit stadium zul je je afvragen – zoals ieder weldenkend mens – waarom ze in de val zijn gelopen. Waarom ze zich hebben laten opsluiten in een veekraal, een tussenstation op weg naar het slachthuis. Op 58-jarige leeftijd en met acht jaar ervaring met Nazi-vervolging, de Kristallnacht (9-10 november 1938) kort nadat ze uit Dortmund waren gevlucht, en Julius’ dood slechts enkele maanden eerder… Adolf had het kunnen weten, had het moeten weten.
Het is waar dat de volledige omvang van de Nazi-plannen voor een normaal mens, Joods of niet-joods, onvoorstelbaar was. Maar het was ook duidelijk voor iedereen die zich niet afsloot, dat ze meenden wat ze predikten: de uitroeiing van de Joden. Eén getuige hiervan komt uit Julchens geboorteplaats Denekamp. Daar hield de directeur van de openbare school tijdens de hele oorlog een dagboek bij, en dat dagboek is bewaard gebleven. Dit is wat Willem Dingeldein in zijn dagboek schreef, minder dan een maand nadat Julius in Mauthausen was ‘omgekomen’:
‘Over het bittere lot van de Joden die zijn weggevoerd. De volgende mogelijkheden worden verondersteld. 1. Onmiddellijke executie. Criminele elementen zijn geselecteerd om hen onverwachts neer te schieten zodra hun ondervraging voorbij is en ze naar een andere kamer worden begeleid; 2. Doodgemarteld. 3. Gebruikt als proefkonijnen om het effect van gifgas op de mens te onderzoeken; 4. Gebruikt als ‘konijnen’ voor de productie van serums, bijvoorbeeld tegen tetanus.’
Dingeldein was geen Jood en geen antisemiet. Hij was een fatsoenlijke dorpsonderwijzer, hij had alle Joodse kinderen van Denekamp in de klas gehad. Ik citeer de woorden die hij op 8 november 1941 in zijn dagboek schreef, om te documenteren welke verwachtingen er op dat moment rondzongen onder de bevolking. Dingeldein maakte geen melding van een gaskamer (hij wist niet dat Julius waarschijnlijk was vergast in een van de eerste, experimentele gaskamers, in Schloss Hartheim, bij Mauthausen). Maar alle vier ‘scenario’s’ die hij noemde, leidden tot de dood. De mensen waren er kennelijk toen al van overtuigd dat de Joden de Nazi-moordenaars niet zouden overleven. Waarom gingen Adolf en Werner dan?
Doorgangskamp Westerbork, oktober 1942 – april 1943
In 1939 hadden de Nederlandse autoriteiten voor de opvang van Joodse vluchtelingen Kamp Westerbork opgericht in het afgelegen Noordoosten van het land. Het oorspronkelijke plan om het kamp verder naar het zuiden te vestigen was door koningin Wilhelmina tegengehouden: zij wilde geen vluchtelingenkamp in de buurt van haar paleis in Apeldoorn. De eerste vluchtelingen arriveerden begin oktober 1939 in Westerbork, zes maanden voordat het Duitse leger het land binnenviel. De omstandigheden in het kamp waren zodanig dat elke hedendaagse Nederlander zich diep zou schamen. Op 6 juli 1941, toen het land al bezet was door Duitsland, werd hier Kurt Ikenberg geboren, een kleinzoon van Isidor Löwenhardt, de broer van Adolf en van uw vader Siegmund.
Westerbork speelde een cruciale rol in de derde fase van het Duitse plan om Nederland van zijn Joden te ontdoen. Deze fase begon op 1 juli 1942 toen het kamp werd omgedoopt tot Polizeiliches Judendurchgangslager. Twee weken later vertrokken de eerste treinen ‘naar het oosten’ – het codewoord voor de vernietigingskampen. Het eerste transport naar Auschwitz vertrok op 15 juli en vervoerde 1135 personen. Eind september en begin oktober werden de Joodse mannen in de werkkampen massaal naar Westerbork gedeporteerd, waarna hun families hiervan op de hoogte werden gesteld.
Samen met de andere mannen uit ’t Schut kwamen Adolf en Werner op 5 oktober in Westerbork aan. Julia kwam vier dagen later uit Enschede. Het gezin was weer herenigd.
Julia had één keuze gehad: onderduiken in Enschede of zich laten arresteren en naar Westerbork sturen, waar ze wist dat ze herenigd zou worden met haar man en zoon. Ze wist dat haar andere zoon, Heinz, twee maanden eerder ondergedoken was in Almelo. Waarschijnlijk wist ze ook dat haar zus Zelma en haar gezin ondergedoken waren of op het punt stonden dat te doen. Maar Julia koos ervoor om zich bij Adolf en Werner te voegen.
In het najaar van 1942 was de situatie in Enschede zodanig dat Joden die wilden onderduiken, dat konden doen. In tegenstelling tot de Joodse Raad van Amsterdam stimuleerde die van Enschede, geïnspireerd door Sig Menko, Joden actief om onder te duiken. Met hulp van de ondergrondse organisatie van de protestantse predikant Leen Overduin koppelden ze Joden aan niet-Joodse families die bereid waren hen te verbergen, en zorgden ze voor financiering en een gestage stroom van rantsoenbonnen. Het resultaat, als je het zo mag noemen, was verbluffend. In heel Nederland bedroeg het percentage Joden dat de Holocaust overleefde een schamele 25. In Enschede was dat percentage 50. Als Julia had besloten onder te duiken, had ze een redelijke kans gehad om te overleven. Dat weten we nu.
Er is veel literatuur over Westerbork… maar ik weet vrijwel niets over het leven van Adolf en Julia tijdens de zes maanden dat ze in het kamp verbleven. Ik kan alleen maar reconstrueren wat de hoogtepunten, positief en negatief, moeten zijn geweest in hun sombere kampbestaan. Westerbork was een doorgangskamp, een opvangplaats voor Joden en Roma/Sinti, waar dag in dag uit treinen aankwamen en vertrokken.
Daarbij moet ik één aanname doen. Namelijk dat familieleden in Westerbork en later in Theresienstadt elkaar vroeg of laat tegenkwamen.
Op 18 november 1942, een maand na hun eigen aankomst, werden Julia’s familieleden vanuit Denekamp naar het kamp gebracht: haar 84-jarige vader Isaäk, haar broer Mauritz met zijn vrouw, zoon en dochter, en de weduwe van haar broer Julius met haar twee dochters. Met Kurt Ikenberg en zijn ouders Ludwig en Klara erbij waren er nu in totaal veertien familieleden in kamp Westerbork. Maar lang duurde dat niet. Voor de meeste mensen was de ‘doorlooptijd’ in Westerbork kort. Zes dagen later moesten Julia en Adolf afscheid nemen van de vrouw en dochters van Julius, die naar Auschwitz werden gestuurd. De jongste dochter, Lida Carla, was pas twee jaar oud. Op 4 december: dezelfde bestemming voor haar broer Mauritz, zijn vrouw en twee jonge kinderen. En op 11 januari 1943 werd ook Julia’s vader naar Auschwitz gestuurd.
Toen Isaäk ten Brink in Auschwitz-Birkenau aankwam, waren zijn zoon Mauritz, zijn twee schoondochters en zijn vier kleinkinderen al vergast en verbrand. In Westerbork hoopte men nog steeds op het beste: in ‘het Oosten’, dat vreselijke eufemisme, zou het leven zwaar zijn, maar ze zouden het wel redden. Dat hielden ze zichzelf voor…
Op 23 februari arriveerde Josef Rosenbaum in Westerbork, de echtgenoot van Julia’s zus Rosalie. Rosalie, Josef en hun zoon Walter hadden ook in Dortmund gewoond. Een klein beetje goed nieuws voor Julia zal zijn geweest dat ze van Josef hoorde dat Rosalie en Walter in oktober 1939 naar de Verenigde Staten waren gevlucht.2 Drie weken later, op 17 maart, moesten ze afscheid nemen van Josef, die naar Sobibor werd verscheept, waar ook hij bij aankomst werd vergast en verbrand.
Transport XXIV/1
Op 20 april 1943 was het hun beurt. Net als iedereen in Westerbork zullen Julia en Adolf laat op de avond ervoor te horen hebben gekregen dat ze zouden worden gedeporteerd. Ze werden niet naar Auschwitz of Sobibor gestuurd, maar naar Theresienstadt. Hun zoon Werner had inmiddels een functie in het kampbestuur en had uitstel gekregen. Hij nam afscheid van zijn ouders, die vanuit het centrum van het kamp met een gewone passagierstrein vertrokken.
Dit transport XXIV/1 was heel bijzonder. Het was het eerste transport naar Theresienstadt in wat nu Tsjechië is, dat werd beschouwd als een elitekamp voor bevoorrechte Joden. Het transport telde bij vertrek in totaal 195 Joden. Dat waren bijna allemaal vluchtelingen uit Duitsland, van wie de mannen in de Eerste Wereldoorlog waren gedecoreerd. Een transport van oorlogsveteranen en hun gezinnen: 101 mannen, 79 vrouwen en 15 kinderen. En… de trein reed niet naar het oosten, maar naar het westen, naar Amsterdam. In Amsterdam werd de groep naar de ‘Hollandsche Schouwburg’ gebracht, een voormalig theater waar de Duitsers Amsterdamse Joden vasthielden tot ze werden gedeporteerd.
Dit schreef Adolf (in het Duits) op een ansichtkaart op 20 april 1943, een ansichtkaart die was geadresseerd (en ook daadwerkelijk bezorgd) aan Werner in Westerbork. De ansichtkaart bevindt zich nu in het archief van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies in Amsterdam:
‘Mijn beste Werner
Je zult versteld staan. Nadat we rond 14.00 uur de formaliteiten in de Schouwburg hadden afgehandeld, mochten we allemaal vrij de stad in. Zoals je aan het retouradres kunt zien, zijn we bij oom Hermann en tante Lina. Je kunt je voorstellen hoe blij we allemaal zijn. Ik ben met oom Hermann gaan wandelen. De reis is goed verlopen voor lieve moeder en we zijn in goede stemming. Morgen om 8 uur moeten we terug naar de Schouwburg. Lieve Werner, blijf gezond en sterk, dat zullen wij ook doen. Tot ziens en een gelukkige terugkeer. Groeten en kusjes, vader.’
En, in een ander handschrift, dat van Julchen: ‘Lieve Werner. Je kunt je voorstellen hoe blij we waren dat we de hele middag vrij zijn tot morgenochtend 7 uur. Je kunt je voorstellen hoeveel er te vertellen valt…’
Adolf en Julia brachten de nacht door bij hun familieleden en voormalige buren uit Dortmund-Lindenhorst, Hermann en Lina Kleeblatt, die in juli 1939 hun toevlucht hadden gevonden in Amsterdam aan de Den Texstraat 39. Hun zoon Walter was opgepakt en op 8 april naar Westerbork gebracht; in de nacht van 19 op 20 april had hij vernomen dat hij op 20 april ook met een transport zou vertrekken. Niet naar Theresiënstadt via Amsterdam, maar naar Sobibor. Adolf en Julia wisten dat.
In de ochtend van 21 april meldden Adolf en Julia zich bij de Hollandsche Schouwburg. Honderd Joden uit dat gebouw werden toegevoegd aan hun transport naar Theresienstadt, en om 13.42 uur vertrok de trein met 295 Joden in zeven derdeklas- en twee tweedeklasrijtuigen, waarvan één gereserveerd voor oorlogsinvaliden.
Die ochtend vroeg, voordat hij naar het station vertrok, had Adolf een tweede briefkaart aan zijn zoon Werner geschreven:
de laatste voorbereidingen voor onze grote reis worden getroffen…
En toen de trein na 100 kilometer om 15.45 uur stopte op het station van Arnhem, vlak voor de Duitse grens, schreef hij een derde:
Mijn lieve Werner,
We zijn net aangekomen in Arnhem. We hebben een paar heerlijke uren doorgebracht in Amsterdam. Vanmorgen om 7 uur hebben we afscheid genomen van de familie Kleeblatt, dat was niet gemakkelijk. Hoe gaat het met onze lieve Walter, is hij ook vertrokken, die arme jongen? De ouders weten het nog niet…
Over een paar minuten verlaten we het prachtige Nederland. Mijn lieve Werner, blijf gezond en sterk, dat zullen wij ook doen…
Het transport van 20 april 1943 naar Sobibor, met Walter Kleeblatt en 1.165 andere Joden, kwam op 23 april in Sobibor aan. Walter Kleeblatt werd op 23 april 1943 als overleden gemeld.
Getto Theresienstadt, april 1943 – oktober 1944
Transport XXIV/1 kwam op 22 april aan in het getto van Theresienstadt. Na de desolate leegte van kamp Westerbork was het een hele verandering. Deze enorme vesting, gebouwd aan het einde van de 18e eeuw in opdracht van de Oostenrijkse keizer Jozef II, was overvol met tienduizenden gevangenen uit heel Europa. Zij waren ondergebracht in enorme legerbarakken. Mannen, vrouwen en kinderen werden gescheiden. Vanuit hier schreef Adolf zijn laatste briefkaart, gericht aan zijn beide zonen, Werner en Heinz, en verstuurd naar Werner Löwenhardt, Barak 37, Kamp Westerbork, Post Hooghalen Ost, Nederland. Als retouradres schreef hij op de kaart: Adolf Löwenhardt, Hauptstraße 1, Theresienstadt. De kaart was gedateerd 16 januari 1944:
Beste Werner en Heinz,
We hebben jullie laatste bericht van 14 oktober ontvangen en waren erg blij met het goede nieuws. Ik kan jullie melden dat jullie lieve moeder en ik het tot nu toe goed maken. We hebben nog steeds hetzelfde werk. We hopen snel weer iets van jullie te horen. We zouden ook heel graag post ontvangen van lieve Heinz en Mimi. Het allerbeste van ons. Hartelijke groeten en kusjes ook voor alle dierbaren, jullie vader. Moeder doet jullie ook hartelijke groeten.
Toen ze deze kaart verstuurden, waren Adolf en Julia al negen maanden in Theresienstadt en ze moeten in die tijd jouw ouders en zus hebben ontmoet. Siegmund, Margarete en Ursula Löwenhardt waren sinds juli 1942 in de ‘grote vesting’, toen ze samen met Adolfs en Siegmunds broer Hugo en zijn vrouw Josefine vanuit Dortmund waren aangevoerd. Net als Westerbork was Theresienstadt een plek waar familieleden die elkaar lange tijd niet hadden gezien, elkaar weer tegenkwamen. Begin augustus 1944 arriveerde Julia’s zus Zelma met haar man Abraham en zonen Maurits (26) en Izaak de Leeuw (23). Een maand later kwamen Ludwig en Klara Ikenberg met hun driejarige zoon Kurt, die in kamp Westerbork was geboren. Klara was een dochter van Isidor Löwenhardt, een van de acht broers van je vader. [Lees verder onder de foto]

Adolf en Julia brachten de laatste zeventien maanden van hun leven door in de erbarmelijke omstandigheden van dit getto, je ouders en zus zelfs nog langer: twee jaar en drie maanden. Ze waren allemaal getuige van de tijdelijke transformatie van het getto voor de inspectie door vertegenwoordigers van het Deense en Internationale Rode Kruis op 23 juni 1944, en van de opnames voor de propagandafilm later die zomer. Toen dat eenmaal voorbij was, keerden de omstandigheden terug naar ‘normaal’. Bijna 140.000 mensen zijn in Theresienstadt gevangen gehouden, en hoewel het geen vernietigingskamp was (alleen een voorportaal naar die kampen), stierf één op de vier daar. Al onze familieleden overleefden het… totdat ze werden opgeroepen voor hun laatste trein.
Ik ga niet eens proberen om de laatste dagen en uren van mijn grootouders, jouw ouders en zus, en onze andere familieleden te beschrijven. Ik zou dat misschien wel willen doen, maar ik heb geen ander bewijsmateriaal dan transportlijsten. Als je wilt weten hoe Theresienstadt en Auschwitz-Birkenau ‘waren’, lees de boeken van degenen die het hebben gezien en overleefd: Primo Levi, Elie Wiesel, G. L. Durlacher, Ab Caransa, Thomas Buergenthal. Ik kan alleen de dag noemen van hun gedwongen vertrek uit Theresienstadt, en mijn hoofd buigen:
28 september 1944: Maurits en Izaak de Leeuw naar Auschwitz; van daaruit op 10 oktober naar Dachau, waar ze eind januari – begin februari 1945 zijn omgekomen3
29 september: Ludwig Ikenberg naar Auschwitz
4 oktober: Klara Ikenberg en haar zoon Kurt naar Auschwitz4
6 oktober: Zelma en Abraham de Leeuw naar Auschwitz
9 oktober: Adolf en Julia Löwenhardt naar Auschwitz (het was de 61e verjaardag van mijn grootvader)
21 oktober: Siegmund, Margarete en Ursula Löwenhardt naar Auschwitz.
Noten
Engelstalig origineel © John Löwenhardt, Den Haag 2011, gepubliceerd op deze website 23 december 2012. Vertaald, geredigeerd en aangevuld in december 2025.
- Lees hierover De dood van Julius ten Brink. [↩]
- Lees hierover https://loewenhardtfoundation.org/2012/de-omzwervingen-van-walter-rosenbaum/ [↩]
- Voor hun verhaal, lees Ongekende broers [↩]
- Lees over Kurt en zijn ouders Peuter in Westerbork [↩]






